ISSN 1977-0995 |
||
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289 |
|
![]() |
||
Uitgave in de Nederlandse taal |
Mededelingen en bekendmakingen |
64e jaargang |
Inhoud |
Bladzijde |
|
|
IV Informatie |
|
|
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE |
|
|
Hof van Justitie van de Europese Unie |
|
2021/C 289/01 |
|
V Bekendmakingen |
|
|
GERECHTELIJKE PROCEDURES |
|
|
Hof van Justitie |
|
2021/C 289/02 |
||
2021/C 289/03 |
||
2021/C 289/04 |
||
2021/C 289/05 |
||
2021/C 289/06 |
||
2021/C 289/07 |
||
2021/C 289/08 |
||
2021/C 289/09 |
||
2021/C 289/10 |
||
2021/C 289/11 |
||
2021/C 289/12 |
||
2021/C 289/13 |
||
2021/C 289/14 |
||
2021/C 289/15 |
||
2021/C 289/16 |
||
2021/C 289/17 |
||
2021/C 289/18 |
||
2021/C 289/19 |
||
2021/C 289/20 |
||
2021/C 289/21 |
||
2021/C 289/22 |
||
2021/C 289/23 |
||
2021/C 289/24 |
||
2021/C 289/25 |
||
2021/C 289/26 |
||
2021/C 289/27 |
||
2021/C 289/28 |
||
2021/C 289/29 |
||
2021/C 289/30 |
||
2021/C 289/31 |
||
2021/C 289/32 |
||
2021/C 289/33 |
||
2021/C 289/34 |
||
2021/C 289/35 |
||
2021/C 289/36 |
||
2021/C 289/37 |
||
2021/C 289/38 |
||
2021/C 289/39 |
||
2021/C 289/40 |
||
2021/C 289/41 |
||
2021/C 289/42 |
||
2021/C 289/43 |
||
2021/C 289/44 |
||
2021/C 289/45 |
||
2021/C 289/46 |
||
2021/C 289/47 |
||
|
Gerecht |
|
2021/C 289/48 |
||
2021/C 289/49 |
||
2021/C 289/50 |
||
2021/C 289/51 |
||
2021/C 289/52 |
||
2021/C 289/53 |
||
2021/C 289/54 |
Zaak T-244/21: Beroep ingesteld op 4 mei 2021 — Luossavaara Kiirunavaara/Commissie |
|
2021/C 289/55 |
Zaak T-261/21: Beroep ingesteld op 17 mei 2021 — Sturz/EUIPO — Clatronic International (STEAKER) |
|
2021/C 289/56 |
Zaak T-281/21: Beroep ingesteld op 21 mei 2021 — Nowhere/EUIPO — Junguo Ye (APE TEES) |
|
2021/C 289/57 |
Zaak T-282/21: Beroep ingesteld op 21 mei 2021 — SS en ST / Frontex |
|
2021/C 289/58 |
Zaak T-291/21: Beroep ingesteld op 25 mei 2021 — Cathay Pacific Airways/Commissie |
|
2021/C 289/59 |
Zaak T-292/21: Beroep ingesteld op 25 mei 2021 — Singapore Airlines Cargo/Commissie |
|
2021/C 289/60 |
Zaak T-297/21: Beroep ingesteld op 21 mei 2021 — Troy Chemical en Troy/Commissie |
|
2021/C 289/61 |
Zaak T-302/21: Beroep ingesteld op 27 mei 2021 — ABOCA e.a. / Commissie |
|
2021/C 289/62 |
||
2021/C 289/63 |
||
2021/C 289/64 |
||
2021/C 289/65 |
Zaak T-310/21: Beroep ingesteld op 2 juni 2021 — Air Canada / Commissie |
|
2021/C 289/66 |
Zaak T-313/21: Beroep ingesteld op 3 juni 2021 — SAS Cargo Group e.a./Commissie |
|
2021/C 289/67 |
Zaak T-314/21: Beroep ingesteld op 4 juni 2021 — TA / Parlement |
|
2021/C 289/68 |
Zaak T-315/21: Beroep ingesteld op 4 juni 2021 — Laboratorios Ern/EUIPO — Nordesta (APIAL) |
|
2021/C 289/69 |
||
2021/C 289/70 |
||
2021/C 289/71 |
Zaak T-680/20: Beschikking van het Gerecht van 4 juni 2021 — Novelis/Commissie |
NL |
|
IV Informatie
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE
Hof van Justitie van de Europese Unie
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/1 |
Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie
(2021/C 289/01)
Laatste publicatie
Historisch overzicht van de vroegere publicaties
Deze teksten zijn beschikbaar in
EUR-Lex: https://eur-lex.europa.eu
V Bekendmakingen
GERECHTELIJKE PROCEDURES
Hof van Justitie
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/2 |
Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 3 juni 2021 — Europese Commissie/Bondsrepubliek Duitsland
(Zaak C-635/18) (1)
(Niet-nakoming - Milieu - Richtlijn 2008/50/EG - Luchtkwaliteit - Artikel 13, lid 1, en bijlage XI - Stelselmatige en voortdurende overschrijding van de grenswaarden voor stikstofdioxide in bepaalde zones en agglomeraties van Duitsland - Artikel 23, lid 1 - Bijlage XV - “Zo kort mogelijke” periode van overschrijding - Passende maatregelen)
(2021/C 289/02)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: C. Hermes, E. Manhaeve en A. C. Becker, gemachtigden)
Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: aanvankelijk T. Henze en S. Eisenberg, gemachtigden, bijgestaan door U. Karpenstein, F. Fellenberg en K. Dingemann, Rechtsanwälte, vervolgens J. Möller en S. Eisenberg, gemachtigden, bijgestaan door U. Karpenstein, F. Fellenberg en K. Dingemann, Rechtsanwälte)
Interveniënt aan de zijde van verwerende partij: Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (vertegenwoordiger: F. Shibli, gemachtigde)
Dictum
1) |
De Bondsrepubliek Duitsland
|
2) |
De Bondsrepubliek Duitsland wordt behalve in haar eigen kosten verwezen in de kosten van de Europese Commissie. |
3) |
Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland draagt zijn eigen kosten. |
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/3 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 3 juni 2021 — Hongarije / Europees Parlement
(Zaak C-650/18) (1)
(Beroep tot nietigverklaring - Artikel 7, lid 1, VEU - Resolutie van het Europees Parlement over een voorstel houdende een verzoek aan de Raad van de Europese Unie om te constateren dat er een duidelijk gevaar bestaat dat een lidstaat zich schuldig maakt aan een ernstige schending van de waarden waarop de Unie berust - Artikelen 263 en 269 VWEU - Bevoegdheid van het Hof - Ontvankelijkheid van het beroep - Voor beroep vatbare handeling - Artikel 354 VWEU - Regels voor het tellen van de stemmen bij het Parlement - Reglement van het Parlement - Artikel 178, lid 3 - Begrip “uitgebrachte stemmen” - Onthoudingen - Beginselen van rechtszekerheid, gelijke behandeling, democratie en loyale samenwerking)
(2021/C 289/03)
Procestaal: Hongaars
Partijen
Verzoekende partij: Hongarije (vertegenwoordigers: aanvankelijk door M. Z. Fehér, G. Tornyai en Zs. Wagner, vervolgens door M. Z. Fehér, gemachtigden)
Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: F. Drexler, N. Görlitz en T. Lukácsi, gemachtigden)
Interveniënte aan de zijde van verzoekende partij: Republiek Polen (vertegenwoordiger: B. Majczyna, gemachtigde)
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Hongarije wordt verwezen in zijn eigen kosten alsmede in die van het Europees Parlement. |
3) |
De Republiek Polen draagt haar eigen kosten. |
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/3 |
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 3 juni 2021 — The Yokohama Rubber Co. Ltd / Pirelli Tyre SpA (C-818/18 P), Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) / Pirelli Tyre SpA (C-6/19 P)
(Gevoegde zaken C-818/18 P en C-6/19 P) (1)
(Hogere voorziening - Uniemerk - Absolute gronden voor de weigering of nietigheid van de inschrijving - Teken dat uitsluitend bestaat in de vorm van de waar die noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen - Verordening (EG) nr. 40/94 - Artikel 7, lid 1, onder e), ii) - Teken dat bestaat in een vorm die geen belangrijk deel van de waar weergeeft)
(2021/C 289/04)
Procestaal: Engels
Partijen
(Zaak C-818/18 P)
Rekwirante: The Yokohama Rubber Co. Ltd (vertegenwoordigers: D. Martucci en F. Boscariol de Roberto, avvocati)
Andere partijen in de procedure: Pirelli Tyre SpA (vertegenwoordigers: T. M. Müller en F. Togo, Rechtsanwälte), Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) (vertegenwoordiger: J. Ivanauskas, gemachtigde)
Interveniënte aan de zijde van de verwerende partij: European Association of Trade Mark Owners (Marques) (vertegenwoordiger: M. Viefhues, Rechtsanwalt)
(Zaak C-6/19 P)
Rekwirante: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) (vertegenwoordiger: J. Ivanauskas, gemachtigde)
Andere partijen in de procedure: Pirelli Tyre SpA (vertegenwoordigers: T. M. Müller en F. Togo, Rechtsanwälte), The Yokohama Rubber Co. Ltd (vertegenwoordigers: D. Martucci en F. Boscariol de Roberto, avvocati)
Interveniënte aan de zijde van de verwerende partij: European Association of Trade Mark Owners (Marques) (vertegenwoordiger: M. Viefhues, Rechtsanwalt)
Dictum
1) |
De hogere voorzieningen in de zaken C-818/18 P en C-6/19 P worden afgewezen. |
2) |
The Yokohama Rubber Co. Ltd en het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) worden in gelijke delen verwezen in hun eigen kosten die verband houden met de procedures in hogere voorziening in de zaken C-818/18 P en C-6/19 P, alsmede in de kosten van Pirelli Tyre SpA die verband houden met die procedures. |
3) |
De European Association of Trade Mark Owners (Marques) draagt haar eigen kosten. |
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/4 |
Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 3 juni 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunale Amministrativo Regionale per il Lazio — Italië) — EB/Presidenza del Consiglio dei Ministri, Ministero dell'Istruzione, dell'Università e della Ricerca — MIUR, Università degli Studi Roma Tre
(Zaak C-326/19) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Sociale politiek - Richtlijn 1999/70/EG - Raamovereenkomst EVV, Unice en CEEP inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd - Clausule 5 - Opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd - Misbruik - Preventieve maatregelen - Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in de overheidssector - Universitaire onderzoekers)
(2021/C 289/05)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Tribunale Amministrativo Regionale per il Lazio
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: EB
Verwerende partijen: Presidenza del Consiglio dei Ministri, Ministero dell'Istruzione, dell'Università e della Ricerca — MIUR, Università degli Studi Roma Tre
in tegenwoordigheid van: Federazione Lavoratori della Conoscenza – CGIL (FLC-CGIL), Confederazione Generale Italiana del Lavoro (CGIL), Anief – Associazione Professionale e Sindacale, Confederazione Generale Sindacale, Cipur – Coordinamento Intersedi Professori Universitari di Ruolo
Dictum
Clausule 5 van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan voor de aanwerving van universitaire onderzoekers arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd worden gesloten voor de duur van drie jaar, met één mogelijkheid tot verlenging met maximaal twee jaar, waarbij, ten eerste, het sluiten van dergelijke overeenkomsten afhankelijk is gesteld van de beschikbaarheid van middelen “voor het programmeren van activiteiten op het gebied van onderzoek, onderwijs, aanvullend onderwijs en dienstverlening aan studenten”, en, ten tweede, voor de verlenging van die overeenkomsten als voorwaarde is gesteld dat “de verrichte onderwijs- en onderzoeksactiviteiten positief zijn beoordeeld”. Het is niet noodzakelijk dat in die regeling objectieve en transparante criteria worden vastgelegd aan de hand waarvan kan worden nagegaan of de sluiting en de verlenging van dergelijke overeenkomsten werkelijk beantwoorden aan een bestaande behoefte, of daarmee de nagestreefde doelstelling kan worden behaald en of zij daartoe noodzakelijk zijn.
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/5 |
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 3 juni 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesverwaltungsgericht — Duitsland) — BZ / Westerwaldkreis
(Zaak C-546/19) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht - Immigratiebeleid - Terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen - Richtlijn 2008/115/EG - Artikel 2, lid 1 - Werkingssfeer - Onderdaan van een derde land - Strafrechtelijke veroordeling in de lidstaat - Artikel 3, punt 6 - Inreisverbod - Redenen van “openbare orde” en “openbare veiligheid” - Intrekking van het terugkeerbesluit - Wettigheid van het inreisverbod)
(2021/C 289/06)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesverwaltungsgericht
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: BZ
Verwerende partij: Westerwaldkreis
Dictum
1) |
Artikel 2, lid 1, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, dient aldus te worden uitgelegd dat deze richtlijn van toepassing is op een inreis- en verblijfsverbod dat door een lidstaat die geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 2, lid 2, onder b), van die richtlijn geboden mogelijkheid, is opgelegd aan een onderdaan van een derde land die zich op zijn grondgebied bevindt en jegens wie om redenen van openbare veiligheid en openbare orde op grond van een eerdere strafrechtelijke veroordeling een uitzettingsbesluit is uitgevaardigd. |
2) |
Richtlijn 2008/115 dient aldus te worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen de handhaving van een inreis- en verblijfsverbod dat door een lidstaat is opgelegd aan een op zijn grondgebied verblijvende onderdaan van een derde land, jegens wie een definitief geworden uitzettingsbesluit is uitgevaardigd om redenen van openbare veiligheid en openbare orde op grond van een eerdere strafrechtelijke veroordeling, wanneer het door die lidstaat jegens die onderdaan uitgevaardigde terugkeerbesluit is ingetrokken, ook indien dat uitzettingsbesluit definitief is geworden. |
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/6 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 3 juni 2021 — Recylex SA, Fonderie et Manufacture de Métaux SA, Harz-Metall GmbH/Europese Commissie
(Zaak C-563/19 P) (1)
(Hogere voorziening - Mededinging - Mededingingsregelingen - Markt voor de recycling van autoaccu’s - Mededeling inzake medewerking van 2006 - Punt 26 - Gedeeltelijke immuniteit - Additionele feiten waardoor de zwaarte of de duur van de inbreuk toeneemt - Feiten die de Europese Commissie bekend zijn - Vermindering van het bedrag van de geldboete - Rangschikking met het oog op de vermindering - Chronologische volgorde)
(2021/C 289/07)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirantes: Recylex SA, Fonderie et Manufacture de Métaux SA, Harz-Metall GmbH (vertegenwoordigers: M. Wellinger, advocaat, en S. Reinart en K. Bongs, Rechtsanwältinnen)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Szczodrowski, I. Rogalski en F. van Schaik, gemachtigden)
Dictum
1) |
De hogere voorziening wordt afgewezen. |
2) |
Recylex SA, Fonderie et Manufacture de Métaux SA en Harz-Metall GmbH worden verwezen in de kosten. |
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/6 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 3 juni 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Watford Employment Tribunal — Verenigd Koninkrijk) — K e.a., L, M, N e.a., O, P, Q, R, S, T / Tesco Stores Ltd
(Zaak C-624/19) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Sociale politiek - Gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers - Artikel 157 VWEU - Rechtstreekse werking - Begrip “gelijkwaardige arbeid” - Verzoeken om gelijke beloning voor gelijkwaardige arbeid - Eén bron - Werknemers van verschillend geslacht met dezelfde werkgever - Verschillende vestigingen - Vergelijking)
(2021/C 289/08)
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
Watford Employment Tribunal
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: K e.a., L, M, N e.a., O, P, Q, R, S, T
Verwerende partij: Tesco Stores Ltd
Dictum
Artikel 157 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het rechtstreekse werking heeft in gedingen tussen particulieren waarin wordt aangevoerd dat er sprake is van schending van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor “gelijkwaardige arbeid” als bedoeld in dat artikel.
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/7 |
Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 3 juni 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Superior de Justicia de Madrid — Spanje) — Instituto Madrileño de Investigación y Desarrollo Rural, Agrario y Alimentario / JN
(Zaak C-726/19) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Sociale politiek - Richtlijn 1999/70/EG - Raamovereenkomst EVV, Unice en CEEP inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd - Clausule 5 - Toepasselijkheid - Begrip “opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of -verhoudingen voor bepaalde tijd” - Arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in de overheidssector - Maatregelen ter voorkoming en ter bestraffing van misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of -verhoudingen voor bepaalde tijd - Begrip “objectieve redenen” die dergelijke overeenkomsten rechtvaardigen - Gelijkwaardige wettelijke maatregelen - Verplichting tot conforme uitlegging van het nationale recht - Economische crisis)
(2021/C 289/09)
Procestaal: Spaans
Verwijzende rechter
Tribunal Superior de Justicia de Madrid
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Instituto Madrileño de Investigación y Desarrollo Rural, Agrario y Alimentario
Verwerende partij: JN
Dictum
1) |
Clausule 5, punt 1, van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die als bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd is gevoegd, moet aldus worden uitgelegd dat deze zich verzet tegen een nationale regeling, zoals uitgelegd in de nationale rechtspraak, die toestaat dat overeenkomsten voor bepaalde tijd worden verlengd in afwachting van de afronding van de selectieprocedures om vacante posten van werknemers in de overheidssector definitief te bezetten, maar geen precieze termijn voor de afronding van die procedures vermeldt, en die voorts niet toestaat dat de werknemers van wie de overeenkomst is verlengd, gelijk worden gesteld aan “werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die niet in vaste dienst zijn” of dat deze werknemers een vergoeding krijgen. Deze nationale regeling lijkt immers, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, geen maatregelen te bevatten om misbruik van opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd te voorkomen en, in voorkomend geval, te bestraffen. |
2) |
Clausule 5, punt 1, van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die als bijlage bij richtlijn 1999/70 is gevoegd, moet aldus worden uitgelegd dat zuiver economische overwegingen die betrekking hebben op de economische crisis van 2008 niet kunnen rechtvaardigen dat er in het nationale recht geen sprake is van maatregelen ter voorkoming en bestraffing van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. |
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/8 |
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 3 juni 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rīgas apgabaltiesas Civillietu tiesas kolēģija — Letland) — “CV-Online Latvia” SIA / “Melons” SIA
(Zaak C-762/19) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Rechtsbescherming van databanken - Richtlijn 96/9/EG - Artikel 7 - Recht “sui generis” van fabrikanten van databanken - Verbod van “opvraging” of “hergebruik” van het geheel of een substantieel deel van de inhoud van de databank door derden zonder toestemming van de fabrikant - Databank die vrij op internet toegankelijk is - Metazoekmachine die is gericht op vacatures - Opvraging en/of hergebruik van de inhoud van een databank - Schade aan de substantiële investering in de verkrijging, de controle of de presentatie van de inhoud van een databank)
(2021/C 289/10)
Procestaal: Lets
Verwijzende rechter
Rīgas apgabaltiesas Civillietu tiesas kolēģija
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij:“CV-Online Latvia” SIA
Verwerende partij:“Melons” SIA
Dictum
Artikel 7, leden 1 en 2, van richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken moet aldus worden uitgelegd dat een internetzoekmachine die gespecialiseerd is in het doorzoeken van inhoud van databanken en die een vrij op internet toegankelijke databank of een substantieel deel ervan kopieert en indexeert, waarna de gebruikers van de zoekmachine die databank op haar eigen website kunnen doorzoeken op basis van inhoudelijk relevante criteria, de inhoud van die databank “opvraagt” en “hergebruikt” in de zin van die bepaling, wat door de fabrikant van een dergelijke databank kan worden verboden voor zover die handelingen schade berokkenen aan zijn investering in de verkrijging, de controle of de presentatie van die inhoud, dat wil zeggen het risico meebrengen dat deze investering niet met een normale exploitatie van de betrokken databank kan worden terugverdiend, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan.
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/8 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 3 juni 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen sad — Varna — Bulgarije) — “TEAM POWER EUROPE” EOOD / Direktor na Teritorialna direktsia na Natsionalna agentsia za prihodite — Varna
(Zaak C-784/19) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Migrerende werknemers - Sociale zekerheid - Toepasselijke wetgeving - Verordening (EG) nr. 883/2004 - Artikel 12, lid 1 - Detachering - Uitzendkrachten - Verordening (EG) nr. 987/2009 - Artikel 14, lid 2 - A1-verklaring - Bepaling van de lidstaat waar de werkgever zijn werkzaamheden normaliter verricht - Begrip “substantiële werkzaamheden die verder gaan dan louter intern beheer” - Geen terbeschikkingstelling van uitzendkrachten op het grondgebied van de lidstaat waar de werkgever is gevestigd)
(2021/C 289/11)
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Administrativen sad — Varna
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij:“TEAM POWER EUROPE” EOOD
Verwerende partij: Direktor na Teritorialna direktsia na Natsionalna agentsia za prihodite — Varna
Dictum
Artikel 14, lid 2, van verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, moet aldus worden uitgelegd dat een in een lidstaat gevestigd uitzendbureau slechts kan worden geacht “zijn werkzaamheden normaliter [in diezelfde lidstaat] te verrichten” in de zin van artikel 12, lid 1, van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 465/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012, als het een aanzienlijk deel van zijn werkzaamheden bestaande in de terbeschikkingstelling van uitzendkrachten verricht voor inlenende ondernemingen die eveneens in die lidstaat zijn gevestigd en aldaar hun activiteiten uitoefenen.
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/9 |
Arrest van het Hof (Negende kamer) van 3 juni 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Curte de Apel Alba Iulia — Roemenië) –Direcţia Generală Regională a Finanţelor Publice Braşov, Agenţia Naţională de Administrare Fiscală — Direcţia Generală a Vămilor — Direcţia Regională Vamală Braşov — Biroul Vamal de Interior Sibiu / Flavourstream SRL
(Zaak C-822/19) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Douane-unie - Gemeenschappelijk douanetarief - Gecombineerde nomenclatuur - Tariefindeling - Postonderverdelingen 1702 90 95, 2912 49 00 en 3824 90 92 - Waterige oplossing)
(2021/C 289/12)
Procestaal: Roemeens
Verwijzende rechter
Curte de Apel Alba Iulia
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Direcţia Generală Regională a Finanţelor Publice Braşov, Agenţia Naţională de Administrare Fiscală — Direcţia Generală a Vămilor — Direcţia Regională Vamală Braşov — Biroul Vamal de Interior Sibiu
Verwerende partij: Flavourstream SRL
Dictum
De gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, in de versie die voortvloeit uit uitvoeringsverordening (EU) nr. 1101/2014 van de Commissie van 16 oktober 2014, moet aldus worden uitgelegd dat een waterige oplossing die wordt verkregen door thermische ontbinding van dextrose en die onder meer bestaat uit aldehyden en in water oplosbare ketonen, niet onder postonderverdeling 1702 90 95 van deze nomenclatuur valt, die met name betrekking heeft op invertsuiker en andere suiker en suikerstropen die in droge toestand 50 gewichtspercenten fructose bevatten en die niet zijn ingedeeld onder andere postonderverdelingen van post 1702 van de genoemde nomenclatuur, en evenmin onder postonderverdeling 2912 49 00 ervan, die betrekking heeft op “andere” aldehydealcoholen, aldehyde-ethers, aldehydefenolen en aldehyden met andere zuurstofhoudende groepen, maar wel onder postonderverdeling 3824 90 92 van die nomenclatuur, die betrekking heeft op “chemische producten of preparaten, voornamelijk samengesteld uit organische verbindingen, elders genoemd noch elders onder begrepen”“in vloeibare vorm bij 20 oC”, mits de eventuele voedingsvoorwaarde van deze oplossing bijkomstig is ten opzichte van de functie ervan als chemisch product en levensmiddelenadditief.
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/10 |
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 3 juni 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Tribunal Supremo — Spanje) — Bankia SA/Unión Mutua Asistencial de Seguros (UMAS)
(Zaak C-910/19) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Richtlijn 2003/71/EG - Prospectus wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten - Artikel 3, lid 2 - Artikel 6 - Aanbieding die gericht is tot zowel retailbeleggers als gekwalificeerde beleggers - Inhoud van de in het prospectus verstrekte informatie - Aansprakelijkheidsvordering - Retailbeleggers en gekwalificeerde beleggers - Kennis van de economische situatie van de uitgevende instelling)
(2021/C 289/13)
Procestaal: Spaans
Verwijzende rechter
Tribunal Supremo
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Bankia SA
Verwerende partij: Unión Mutua Asistencial de Seguros (UMAS)
Dictum
1) |
Artikel 6 van richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van richtlijn 2001/34/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/11/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2003/71, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/11, moet aldus worden uitgelegd dat wanneer een openbare aanbieding tot inschrijving op aandelen gericht is tot zowel retailbeleggers als gekwalificeerde beleggers, niet enkel retailbeleggers maar ook gekwalificeerde beleggers een aansprakelijkheidsvordering kunnen instellen wegens de in het prospectus verstrekte informatie. |
2) |
Artikel 6, lid 2, van richtlijn 2003/71, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/11, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen nationaalrechtelijke bepalingen op grond waarvan de rechter in verband met een aansprakelijkheidsvordering die een gekwalificeerde belegger heeft ingesteld wegens de in het prospectus verstrekte informatie, in aanmerking mag of zelfs moet nemen dat die belegger, gelet op zijn betrekkingen met de instelling die de openbare aanbieding tot inschrijving op aandelen heeft uitgebracht, los van het prospectus kennis had of behoorde te hebben van de economische situatie van die uitgevende instelling, mits die bepalingen niet ongunstiger zijn dan de bepalingen die gelden voor soortgelijke vorderingen waarin het nationale recht voorziet en het in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken om die aansprakelijkheidsvordering in te stellen. |
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/11 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 3 juni 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Consiglio di Stato — Italië) — Ministero della Giustizia / GN
(Zaak C-914/19) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Sociale politiek - Beginsel van gelijke behandeling in arbeid en beroep - Richtlijn 2000/78/EG - Artikel 6, lid 1 - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikel 21 - Verbod van discriminatie op grond van leeftijd - Nationale regeling waarbij een leeftijdsgrens van 50 jaar wordt vastgesteld voor de toegang tot het beroep van notaris - Rechtvaardiging)
(2021/C 289/14)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Consiglio di Stato
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Ministero della Giustizia
Verwerende partij: GN
in tegenwoordigheid van: HM, JL, JJ
Dictum
Artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep moeten aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling waarbij een leeftijdsgrens van 50 jaar wordt vastgesteld om te kunnen deelnemen aan het vergelijkend onderzoek voor toegang tot het beroep van notaris, aangezien een dergelijke regeling niet de doelstellingen lijkt na te streven die bestaan in het waarborgen van een stabiele uitoefening van dit beroep gedurende een aanzienlijke periode voorafgaand aan de pensionering, het beschermen van de goede werking van de notariële prerogatieven, en het vergemakkelijken van generatievernieuwing en verjonging van de beroepsstand, en hoe dan ook verder gaat dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken. Het staat aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/11 |
Arrest van het Hof (Tiende kamer) van 3 juni 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzgericht — Oostenrijk) — Titanium Ltd / Finanzamt Österreich, voorheen Finanzamt Wien
(Zaak C-931/19) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Fiscale bepalingen - Belasting over de toegevoegde waarde (btw) - Richtlijn 2006/112/EG - Artikelen 43 en 45 - Richtlijn 2006/112/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/8/EG - Artikelen 44, 45 en 47 - Diensten - Fiscaal aanknopingspunt - Begrip “vaste inrichting” - Verhuur van een onroerend goed in een lidstaat - Onroerendgoedeigenaar die op het eiland Jersey is gevestigd)
(2021/C 289/15)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesfinanzgericht
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Titanium Ltd
Verwerende partij: Finanzamt Österreich, voorheen Finanzamt Wien
Dictum
Een in een lidstaat verhuurd onroerend goed vormt geen vaste inrichting in de zin van artikel 43 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en de artikelen 44 en 45 van richtlijn 2006/112, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/8/EG van de Raad van 12 februari 2008, wanneer de eigenaar van dat onroerend goed niet over eigen personeel beschikt om de dienst in verband met de verhuur te verrichten.
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/12 |
Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 3 juni 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Superior de Justicia de Aragón — Spanje) — Servicio Aragonés de Salud / LB
(Zaak C-942/19) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Sociale politiek - Door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd - Clausule 4 - Non-discriminatiebeginsel - Afwijzing van een verzoek tot toekenning van voor vast statutair personeel bedoeld verlof wegens dienstverlening in de publieke sector - Nationale regeling die dit verlof uitsluit wanneer een tijdelijk ambt wordt ingenomen - Werkingssfeer - Niet-toepasselijkheid van clausule 4 - Onbevoegdheid van het Hof)
(2021/C 289/16)
Procestaal: Spaans
Verwijzende rechter
Tribunal Superior de Justicia de Aragón
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Servicio Aragonés de Salud
Verwerende partij: LB
Dictum
Het Hof van Justitie van de Europese Unie is niet bevoegd om te antwoorden op de prejudiciële vragen die de Tribunal Superior de Justicia de Aragón (hoogste rechterlijke instantie van de autonome regio Aragon, Spanje) bij beslissing van 17 december 2019 heeft voorgelegd.
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/13 |
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 3 juni 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden) — Staatssecretaris van Financiën / Jumbocarry Trading GmbH
(Zaak C-39/20) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Verordening (EU) nr. 952/2013 - Douanewetboek van de Unie - Artikel 22, lid 6, eerste alinea, juncto artikel 29 - Mededeling van gronden aan de betrokkene voordat een voor hem ongunstige beschikking wordt gegeven - Artikel 103, lid 1, en artikel 103, lid 3, onder b) - Verjaring van de douaneschuld - Termijn voor de mededeling van de douaneschuld - Opschorting van de termijn - Artikel 124, lid 1, onder a) - Tenietgaan van de douaneschuld in geval van verjaring - Toepassing in de tijd van de bepaling betreffende de oorzaken van de opschorting - Beginselen van rechtszekerheid en van bescherming van het gewettigd vertrouwen)
(2021/C 289/17)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Hoge Raad der Nederlanden
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Staatssecretaris van Financiën
Verwerende partij: Jumbocarry Trading GmbH
Dictum
Artikel 103, lid 3, onder b), en artikel 124, lid 1, onder a), van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, moeten, gelezen in het licht van de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen, aldus worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn op een douaneschuld die vóór 1 mei 2016 is ontstaan en op die datum nog niet is verjaard.
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/13 |
Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 3 juni 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen sad — Varna — Bulgarije) — “BalevBio” EOOD / Teritorialna direktsia Severna morska, Agentsia “Mitnitsi”
(Zaak C-76/20) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Gemeenschappelijk douanetarief - Tariefindeling - Gecombineerde nomenclatuur - Goederen die uit verschillende stoffen bestaan - Plantaardige vezels - Melaminehars - Posten 3924 en 4419 - Goederen omschreven als “bamboebekers”)
(2021/C 289/18)
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Administrativen sad — Varna
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij:“BalevBio” EOOD
Verwerende partij: Teritorialna direktsia Severna morska, Agentsia “Mitnitsi”
in aanwezigheid van: Okrazhna prokuratura — Varnenska
Dictum
De gecombineerde nomenclatuur, die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2016/1821 van de Commissie van 6 oktober 2016, moet aldus worden uitgelegd dat goederen die worden omschreven als “bamboebekers” en die voor 72,33 % uit plantaardige vezels en voor 25,2 % uit melaminehars bestaan, onder voorbehoud van het door de verwijzende rechter te verrichten onderzoek van alle feitelijke elementen waarover hij beschikt, moeten worden ingedeeld onder post 3924 van die nomenclatuur, en met name onder onderverdeling 3924 10 00 ervan.
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/14 |
Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 3 juni 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Curte de Apel Suceava — Roemenië) — BE, DT / Administraţia Judeţeană a Finanţelor Publice Suceava, Direcţia Generală Regională a Finanţelor Publice Iaşi, Accer Ipurl Suceava — handelend in haar hoedanigheid van curator van BE, EP
(Zaak C-182/20) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Belasting over de toegevoegde waarde (btw) - Richtlijn 2006/112/EG - Recht op aftrek - Herziening van de aftrek - Faillissementsprocedure - Nationale regeling die voorziet in de automatische weigering van aftrek van de btw over belastbare handelingen die zijn verricht voorafgaand aan de inleiding van die procedure)
(2021/C 289/19)
Procestaal: Roemeens
Verwijzende rechter
Curte de Apel Suceava
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: BE, DT
Verwerende partijen: Administraţia Judeţeană a Finanţelor Publice Suceava, Direcţia Generală Regională a Finanţelor Publice Iaşi, Accer Ipurl Suceava — handelend in haar hoedanigheid van curator van BE, EP
Dictum
De artikelen 184 tot en met 186 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling of praktijk volgens welke de inleiding van een faillissementsprocedure ten aanzien van een marktdeelnemer, waarbij diens activa worden vereffend ten gunste van zijn schuldeisers, deze marktdeelnemer automatisch verplicht tot herziening van de btw-aftrek die hij heeft toegepast voor de goederen en diensten die hij voorafgaand aan zijn faillietverklaring heeft verworven, wanneer de inleiding van een dergelijke procedure er niet aan in de weg staat dat de economische activiteit van die marktdeelnemer, in de zin van artikel 9 van die richtlijn, en met name met het oog op de vereffening van de betrokken onderneming, wordt voortgezet.
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/15 |
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 3 juni 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Verwaltungsgericht Düsseldorf — Duitsland) — BY, CX, FU, DW, EV/Stadt Duisburg
(Zaak C-194/20) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Associatieovereenkomst EEG-Turkije - Besluit nr. 1/80 - Artikelen 6 en 7 - Legale arbeid - Artikel 9 - Toegang van de kinderen van een Turkse werknemer tot onderwijs - Verblijfsrecht - Weigering)
(2021/C 289/20)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Verwaltungsgericht Düsseldorf
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: BY, CX, FU, DW, EV
Verwerende partij: Stadt Duisburg
Dictum
Artikel 9, eerste volzin, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije moet aldus worden uitgelegd dat deze bepaling niet kan worden ingeroepen door Turkse kinderen van wie de ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 6 en 7 van dat besluit.
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/15 |
Arrest van het Hof (Negende kamer) van 3 juni 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato — Italië) — Rad Service Srl Unipersonale, Cosmo Ambiente Srl, Cosmo Scavi Srl / Del Debbio SpA, Gruppo Sei Srl, Ciclat Val di Cecina Soc. Coop., Daf Costruzioni Stradali Srl
(Zaak C-210/20) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Plaatsen van overheidsopdrachten voor diensten, leveringen en werken - Richtlijn 2014/24/EU - Verloop van de procedure - Keuze uit de deelnemers en gunning van de opdrachten - Artikel 63 - Inschrijver die een beroep doet op de draagkracht van een andere entiteit om te voldoen aan de vereisten van de aanbestedende dienst - Artikel 57, leden 4, 6 en 7 - Valse verklaringen van die entiteit - Uitsluiting van de inschrijver zonder hem te verplichten of toe te staan die entiteit te vervangen - Evenredigheidsbeginsel)
(2021/C 289/21)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Consiglio di Stato
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Rad Service Srl Unipersonale, Cosmo Ambiente Srl, Cosmo Scavi Srl
Verwerende partijen: Del Debbio SpA, Gruppo Sei Srl, Ciclat Val di Cecina Soc. Coop., Daf Costruzioni Stradali Srl
in tegenwoordigheid van: Azienda Unità Sanitaria Locale USL Toscana Centro
Dictum
Artikel 63 van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG, gelezen in samenhang met artikel 57, lid 4, onder h), van deze richtlijn en in het licht van het evenredigheidsbeginsel, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling waarbij een aanbestedende dienst een inschrijver automatisch van een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht moet uitsluiten wanneer een nevenonderneming op de draagkracht waarvan die inschrijver een beroep wil doen, een valse verklaring heeft verstrekt over het bestaan van in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke veroordelingen, zonder de inschrijver in dat geval te kunnen verplichten of op zijn minst te kunnen toestaan die entiteit te vervangen.
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/16 |
Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 3 juni 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sofiyski rayonen sad — Bulgarije) — ZN / Generalno konsulstvo na Republika Bulgaria v grad Valensia, Kralstvo Ispania
(Zaak C-280/20) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Verordening (EU) nr. 1215/2012 - Bepaling van de internationale bevoegdheid van de gerechten van een lidstaat - Artikel 5, lid 1 - Werknemer die onderdaan is van een lidstaat - Overeenkomst die is gesloten met een consulaire vertegenwoordiging van die lidstaat in een andere lidstaat - Werkzaamheden van de werknemer - Geen bevoegdheden van openbaar gezag)
(2021/C 289/22)
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Sofiyski rayonen sad
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: ZN
Verwerende partij: Generalno konsulstvo na Republika Bulgaria v grad Valensia, Kralstvo Ispania
Dictum
Artikel 5, lid 1, juncto overweging 3, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat deze verordening van toepassing is ter bepaling van de internationale bevoegdheid van de gerechten van een lidstaat om kennis te nemen van een geschil tussen een werknemer van een lidstaat die geen werkzaamheden verricht waarmee openbaar gezag wordt uitgeoefend en een consulaire instantie van diezelfde lidstaat die op het grondgebied van een andere lidstaat is gevestigd.
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/17 |
Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 14 april 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Galaţi — Roemenië) — XU, YV, ZW, AU, BZ, CA, DB, EC, NL/SC Credit Europe Ipotecar IFN SA, Credit Europe Bank NV
(Zaak C-364/19) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Bescherming van consumenten - Oneerlijke bedingen - Richtlijn 93/13/EEG - Artikel 1, lid 2 - Uitsluiting van de werkingssfeer van deze richtlijn van contractuele bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn overgenomen - Artikel 4, lid 2 - Uitzondering op de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding - In een vreemde valuta luidende kredietovereenkomst - Gestelde niet-nakoming van de op een verkoper rustende informatieplicht - Verplichting voor de nationale rechter om eerst te toetsen aan artikel 1, lid 2)
(2021/C 289/23)
Procestaal: Roemeens
Verwijzende rechter
Tribunal Galaţi
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: XU, YV, ZW, AU, BZ, CA, DB, EC, NL
Verwerende partijen: SC Credit Europe Ipotecar IFN SA, Credit Europe Bank NV
Dictum
Artikel 1, lid 2, en artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moeten aldus worden uitgelegd dat wanneer bij een rechter van een lidstaat een geding aanhangig wordt gemaakt over een vermeend oneerlijk contractueel beding waarin een nationale bepaling van aanvullend recht is overgenomen, hij eerst de gevolgen van de in artikel 1, lid 2, bedoelde uitsluiting van de werkingssfeer van deze richtlijn dient te onderzoeken, en niet de gevolgen van de in artikel 4, lid 2, opgenomen uitzondering op de beoordeling van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen.
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/17 |
Beschikking van het Hof (Tiende kamer) van 14 april 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Berlin-Brandenburg — Duitsland) — HR/Finanzamt Wilmersdorf
(Zaak C-108/20) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Fiscale bepalingen - Belasting over de toegevoegde waarde (btw) - Richtlijn 2006/112/EG - Artikelen 167 en 168 - Recht op aftrek van voorbelasting - Weigering - Fraude - Toeleveringsketen - Weigering van het recht op aftrek wanneer de belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij met zijn aankoop deelnam aan een handeling die onderdeel was van btw-fraude)
(2021/C 289/24)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Finanzgericht Berlin-Brandenburg
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: HR
Verwerende partij: Finanzamt Wilmersdorf
Dictum
Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moet aldus worden uitgelegd dat deze richtlijn zich niet verzet tegen een nationale praktijk waarbij het recht op aftrek van voorbelasting wordt geweigerd aan een belastingplichtige die goederen heeft gekocht waarmee eerder in de toeleveringsketen fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde is gepleegd en die, ook al heeft hij niet actief deelgenomen aan die fraude, dat wist of had moeten weten.
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/18 |
Beschikking van het Hof (Tiende kamer) van 23 april 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour du travail de Mons — België) — Centre d’Enseignement Secondaire Saint-Vincent de Soignies ASBL / FS
(Zaak C-471/20) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Artikel 53, lid 2, en artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Sociaal beleid - Bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers - Organisatie van de arbeidstijd - Richtlijn 2003/88/EG - Maximale wekelijkse arbeidstijd - Referentieperiode - Artikel 16 - Uitzonderingen - Artikelen 17 en 18 - Opzichter-opvoeder die de wachtdienst verzekert in een internaat - Nadere regels voor de compenserende rusttijd)
(2021/C 289/25)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Cour du travail de Mons
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Centre d’Enseignement Secondaire Saint-Vincent de Soignies ASBL
Verwerende partij: FS
Dictum
Artikel 17, lid 3, onder b), van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd moet aldus worden uitgelegd dat de activiteit van een opvoeder in een internaat die ’s nachts de wachtdienst verzekert, binnen de werkingssfeer van deze bepaling valt.
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/19 |
Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 14 april 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Commissione tributaria provinciale di Parma — Italië) — Casa di Cura Città di Parma SpA / Agenzia delle Entrate
(Zaak C-573/20) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Artikel 53, lid 2, en artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Fiscaliteit - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) - Zesde richtlijn 77/388/EEG - Artikel 17, lid 2, onder a) - Gemengde belastingplichtige - Evenredige aftrek - Openbare of particuliere gezondheidsinrichtingen die vrijgestelde activiteiten verrichten - Nationale wettelijke regeling waarbij de aftrek van de btw over de aankoop van goederen of diensten die voor die vrijgestelde activiteiten worden gebruikt, wordt uitgesloten)
(2021/C 289/26)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Commissione tributaria provinciale di Parma
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Casa di Cura Città di Parma SpA
Verwerende partij: Agenzia delle Entrate
Dictum
Artikel 17, lid 2, onder a), van de Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die niet toestaat dat de voorbelasting over de aankoop van goederen en diensten die worden gebruikt ten behoeve van vrijgestelde activiteiten wordt afgetrokken en die bijgevolg bepaalt dat het recht van een gemengde belastingplichtige op btw-aftrek wordt berekend op basis van een pro rata dat overeenkomt met de verhouding tussen enerzijds het bedrag van de verrichtingen waarvoor recht op aftrek bestaat en anderzijds het totale bedrag van de in het betrokken jaar verrichte handelingen met inbegrip van de vrijgestelde medisch-sanitaire prestaties.
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/19 |
Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 15 april 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Markkinaoikeus — Finland) — Kuluttaja-asiamies / MiGame Oy
(Zaak C-594/20) (1)
(“Prejudiciële verwijzing - Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Richtlijn 2011/83/EU - Consumentenovereenkomsten - Artikel 21 - “Communicatie per telefoon” - Openstelling van een telefoonnummer door een handelaar om consumenten de mogelijkheid te bieden contact met hem op te nemen over een gesloten overeenkomst - Terbeschikkingstelling van twee telefoonnummers door een vennootschap in het kader van haar klantenservice betreffende gesloten overeenkomsten, te weten een vast nummer tegen premiumtarief en een gratis mobiel nummer - Inhoud van voor klanten bestemd communicatiemateriaal - Toelaatbaarheid van een klantenservicenummer waarbij klanten een hoger tarief dan het basistarief wordt aangerekend - Begrip “basistarief””)
(2021/C 289/27)
Procestaal: Fins
Verwijzende rechter
Markkinaoikeus
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Kuluttaja-asiamies
Verwerende partij: MiGame Oy
Dictum
Artikel 21, eerste alinea, van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG [van de Raad] en van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een handelaar, naast een telefoonnummer waarvoor niet meer dan het basistarief in rekening wordt gebracht, zijn klanten een telefoonnummer ter beschikking stelt waarvoor een hoger tarief dan dat basistarief geldt en dat mogelijkerwijs zal worden gebruikt door consumenten die met die handelaar een overeenkomst hebben gesloten.
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/20 |
Beschikking van het Hof (Vijfde kamer) van 26 maart 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de tribunal du travail de Liège — België) — VW / Federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers (Fedasil)
(Zaak C-92/21) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Grenstoezicht, asiel en immigratie - Asielbeleid - Criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming - Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublin III) - Artikel 27 - Rechtsmiddelen tegen het overdrachtsbesluit - Opschortende karakter van het beroep - Artikel 29 - Werkwijzen en termijnen voor de overdracht - Normen voor de opvang van personen die om internationale bescherming verzoeken - Richtlijn 2013/33/EU - Artikel 18 - Nationale maatregel waarbij aan een asielzoeker ten aanzien van wie een overdrachtsbesluit is genomen, een plaats wordt toegewezen in een specifieke opvangstructuur waar de opgevangen personen worden begeleid bij de voorbereiding van hun overdracht)
(2021/C 289/28)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Tribunal du travail de Liège
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: VW
Verwerende partij: Federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers (Fedasil)
Dictum
Artikel 27 van verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat een lidstaat ten aanzien van een verzoeker die beroep heeft ingesteld tegen een besluit om hem over te dragen aan een andere lidstaat in de zin van artikel 26, lid 1, van deze verordening, maatregelen treft ter voorbereiding van deze overdracht, zoals de toewijzing van een plaats in een specifieke opvangstructuur waar de opgevangen personen worden begeleid bij de voorbereiding van hun overdracht.
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/21 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Curte de Apel Timişoara (Roemenië) op 26 januari 2021 — T.A.C. / ANI
(Zaak C-40/21)
(2021/C 289/29)
Procestaal: Roemeens
Verwijzende rechter
Curte de Apel Timişoara
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: T.A.C.
Verwerende partij: ANI
Prejudiciële vragen
1) |
Moet het evenredigheidsbeginsel inzake straffen, dat is verankerd in artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat het ook van toepassing is op andere feiten dan die welke in de nationale wet formeel als strafbare feiten zijn omschreven, maar die kunnen worden beschouwd als ‚vervolging’ in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, gelet op de in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria, met name het criterium van de ernst van de straf, zoals in het hoofdgeding wat de beoordeling van belangenconflicten betreft, welke kan leiden tot de toepassing van een bijkomende straf bestaande in een verbod op het uitoefenen van een openbaar ambt dat door middel van verkiezing wordt verkregen, gedurende drie jaar? |
2) |
Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord, moet het in artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde evenredigheidsbeginsel inzake straffen dan aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een bepaling van een nationale uitvoeringswet op grond waarvan, bij vaststelling van een belangenconflict bij een persoon met een gekozen openbaar ambt, automatisch van rechtswege (ope legis) een bijkomende sanctie wordt opgelegd, bestaande in een verbod om gekozen openbare ambten te bekleden gedurende een vooraf bepaalde periode van drie jaar, zonder dat een sanctie kan worden opgelegd die evenredig is aan het gepleegde feit? |
3) |
Moeten het door artikel 15, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde recht op arbeid en het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een bepaling van een nationale uitvoeringwet op grond waarvan, bij vaststelling van een belangenconflict bij een persoon met een gekozen openbaar ambt, automatisch van rechtswege (ope legis) een bijkomende sanctie wordt opgelegd, bestaande in een verbod om gekozen openbare ambten te bekleden gedurende een vooraf bepaalde periode van drie jaar, zonder dat een sanctie kan worden opgelegd die evenredig is aan het gepleegde feit? |
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/21 |
Hogere voorziening ingesteld op 22 februari 2021 door H.R. Participations SA tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 16 december 2020 in zaak T-535/19, H.R. Participations/EUIPO — Hottinger Investment Management (JCE HOTTINGUER)
(Zaak C-109/21 P)
(2021/C 289/30)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: H.R. Participations SA (vertegenwoordigers: P. Wilhelm en J. Rossi, advocaten)
Andere partijen in de procedure: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), Hottinger Investment Management Ltd
Bij beschikking van 2 juni 2021 heeft het Hof van Justitie (Kamer voor toelating van hogere voorzieningen) beslist dat de hogere voorziening niet wordt toegelaten en dat H.R. Participations SA haar eigen kosten moet dragen.
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/22 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Okręgowy w Katowicach (Polen) op 23 maart 2021 — G./M.S.
(Zaak C-181/21)
(2021/C 289/31)
Procestaal: Pools
Verwijzende rechter
Sąd Okręgowy w Katowicach
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: G.
Verwerende partij: M.S.
Prejudiciële vragen
1) |
Moeten artikel 2 en artikel 19, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna: “VEU”) en artikel 6, leden 1 tot en met 3, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten (hierna: “Handvest”), aldus worden uitgelegd dat:
|
2) |
Moeten artikel 2 en artikel 19, lid 1, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat deze bepalingen, wanneer een in de in punt 1 beschreven omstandigheden tot rechter benoemde persoon deel uitmaakt van de rechtsprekende formatie van een rechterlijke instantie:
|
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/23 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Rejonowy dla Warszawy-Woli w Warszawie (Polen) op 23 maart 2021 — K.D./Towarzystwo Ubezpieczeń Ż
(Zaak C-208/21)
(2021/C 289/32)
Procestaal: Pools
Verwijzende rechter
Sąd Rejonowy dla Warszawy-Woli w Warszawie
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: K.D.
Verwerende partij: Towarzystwo Ubezpieczeń Ż S.A.
Prejudiciële vragen
1) |
Moet artikel 3, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 2, onder d), van richtlijn 2005/29/EG (1) aldus worden uitgelegd dat het begrip “oneerlijke handelspraktijk” betrekking heeft op de omstandigheden in verband met de sluiting van de overeenkomst en de presentatie van het product aan de consument of dat deze richtlijn en het daarop gebaseerde begrip “oneerlijke marktpraktijk” tevens betrekking hebben op de misleidende formulering door een handelaar/productontwikkelaar van een modelovereenkomst die ten grondslag ligt aan het aanbod van een andere handelaar en die derhalve niet rechtstreeks verband houdt met het in de handel brengen van het betrokken product? |
2) |
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: moet worden aangenomen dat de handelaar die uit hoofde van richtlijn 2005/29/EG aansprakelijk is voor de oneerlijke marktpraktijk de handelaar is die aansprakelijk is voor het formuleren van de misleidende modelovereenkomst of is dat de handelaar die het product op grond van deze modelovereenkomst aan de consument presenteert en rechtstreeks aansprakelijk is voor het in de handel brengen ervan, of kunnen beide handelaren uit hoofde van richtlijn 2005/29/EG aansprakelijk worden gesteld? |
3) |
Verzet artikel 3, lid 2, van richtlijn 2005/29/EG zich tegen een regeling van nationaal recht (een uitlegging van het nationale recht) die aan de consument het recht toekent om een nationale rechterlijke instantie te verzoeken een met een handelaar gesloten overeenkomst met wederzijdse ongedaanmaking van prestaties nietig te verklaren wanneer de verklaring van de consument dat hij de overeenkomst wil sluiten is afgelegd onder invloed van een oneerlijke handelspraktijk van de betrokken handelaar? |
4) |
Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord: moet worden aangenomen dat richtlijn 93/13 (2) de juiste rechtsgrondslag vormt voor de beoordeling van de handelwijze van een handelaar die erin bestaat dat jegens een consument gebruik wordt gemaakt van een onbegrijpelijke en onduidelijke modelovereenkomst en moet de in artikel 5 van richtlijn 93/13 opgenomen voorwaarde inzake het opstellen van bedingen in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen derhalve aldus worden uitgelegd dat in met consumenten gesloten verzekeringsovereenkomsten die zijn gekoppeld aan een beleggingsfonds (fractieverzekeringen) aan deze voorwaarde wordt voldaan door een beding waarover niet individueel is onderhandeld en dat niet rechtstreeks wijst op de omvang van het beleggingsrisico gedurende de looptijd van de verzekeringsovereenkomst maar uitsluitend op de mogelijkheid van het verlies van een deel van de betaalde eerste premie en de lopende premies in het geval van de opzegging van de verzekering voor het einde van de aansprakelijkheidsperiode? |
(1) Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (“richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) (PB 2005, L 149, blz. 22).
(2) Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/24 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato (Italië) op 6 april 2021 — Italy Emergenza Cooperativa Sociale / Azienda Sanitaria Locale Barletta-Andria-Trani
(Zaak C-213/21)
(2021/C 289/33)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Consiglio di Stato
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Italy Emergenza Cooperativa Sociale
Verwerende partij: Azienda Sanitaria Locale Barletta-Andria-Trani
Prejudiciële vraag
Staat artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24/EU (1), en daarmee overweging 28 van die richtlijn, in de weg aan een nationale regeling volgens welke diensten van medisch nood- en spoedvervoer met voorrang bij overeenkomst uitsluitend kunnen worden gegund aan vrijwilligersorganisaties — mits zij ten minste zes maanden zijn ingeschreven in het nationale register voor de derde sector, deel uitmaken van een netwerk van verenigingen, en erkend zijn op grond van de regionale wetgeving ter zake (voor zover die bestaat), en mits deze rechtstreekse gunning waarborgt dat de dienst met inachtneming van de beginselen van transparantie en non-discriminatie wordt verstrekt in een stelsel waarin op passende en vanuit economisch oogpunt efficiënte wijze daadwerkelijk wordt bijgedragen aan een sociaal doel en op solidariteit gebaseerde doelstellingen worden nagestreefd — zonder andere non-profitorganisaties, en met name sociale coöperaties, als sociale ondernemingen zonder winstoogmerk, in aanmerking te nemen als potentiële begunstigden?
(1) Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG (PB 2014, L 94, blz. 65).
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/24 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato (Italië) op 6 april 2021 — Italy Emergenza Cooperativa Sociale / Azienda Sanitaria Provinciale di Cosenza
(Zaak C-214/21)
(2021/C 289/34)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Consiglio di Stato
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Italy Emergenza Cooperativa Sociale
Verwerende partij: Azienda Sanitaria Provinciale di Cosenza
In tegenwoordigheid van: ANPAS — Associazione Nazionale Pubbliche Assistenze Odv
Prejudiciële vraag
Staat artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24/EU (1), en daarmee overweging 28 van die richtlijn, in de weg aan een nationale regeling volgens welke diensten van medisch nood- en spoedvervoer met voorrang bij overeenkomst uitsluitend kunnen worden gegund aan vrijwilligersorganisaties — mits zij ten minste zes maanden zijn ingeschreven in het nationale register voor de derde sector, deel uitmaken van een netwerk van verenigingen, en erkend zijn op grond van de regionale wetgeving ter zake (voor zover die bestaat), en mits deze rechtstreekse gunning waarborgt dat de dienst met inachtneming van de beginselen van transparantie en non-discriminatie wordt verstrekt in een stelsel waarin op passende en vanuit economisch oogpunt efficiënte wijze daadwerkelijk wordt bijgedragen aan een sociaal doel en op solidariteit gebaseerde doelstellingen worden nagestreefd — zonder andere non-profitorganisaties, en met name sociale coöperaties, als sociale ondernemingen zonder winstoogmerk, met inbegrip van sociale coöperaties die de verdeling onder de leden van de aan de activiteit van algemeen belang gerelateerde restorno’s verrichten overeenkomstig artikel 3, lid 2-bis, van wetsbesluit nr. 112 van 2017, in aanmerking te nemen als potentiële begunstigden?
(1) Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG (PB 2014, L 94, blz. 65).
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/25 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Okręgowy w Warszawie (Polen) op 14 april 2021 — “TOYA” sp. z o.o., Polska Izba Informatyki i Telekomunikacji / Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej
(Zaak C-243/21)
(2021/C 289/35)
Procestaal: Pools
Verwijzende rechter
Sąd Okręgowy w Warszawie
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij:“TOYA” sp. z o.o., Polska Izba Informatyki i Telekomunikacji
Verwerende partij: Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej
Prejudiciële vragen
1) |
Moet artikel 8, lid 3, van richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (1), gelezen in samenhang met artikel 3, lid 5, en artikel 1, leden 3 en 4, van richtlijn 2014/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake maatregelen ter verlaging van de kosten van de aanleg van elektronischecommunicatienetwerken (2) met hoge snelheid aldus worden uitgelegd dat deze bepalingen zich ertegen verzetten dat een nationale regelgevende instantie een exploitant die beschikt over fysieke infrastructuur en tegelijkertijd leverancier is van publiek toegankelijke elektronische-communicatiediensten en/of -netwerken, maar niet is aangemerkt als een exploitant met een aanmerkelijke marktmacht, kan verplichten de door die instantie ex ante opgelegde voorwaarden inzake toegang tot de fysieke infrastructuur van die exploitant na te leven, met inbegrip van de regels en procedures voor het sluiten van overeenkomsten en de voor toegang toegepaste tarieven, ongeacht of er een geschil bestaat over de toegang tot de fysieke infrastructuur van deze exploitant en ongeacht of er sprake is van werkelijke mededinging op de markt? Eventueel (optie II) |
2) |
Moet artikel 67, leden 1 en 3, gelezen in samenhang met artikel 68, leden 2 en 3, van richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (3), gelezen in samenhang met artikel 3, lid 5, en artikel 1, leden 3 en 4, van richtlijn 2014/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake maatregelen ter verlaging van de kosten van de aanleg van elektronischecommunicatienetwerken met hoge snelheid aldus worden uitgelegd dat deze bepalingen zich ertegen verzetten dat een nationale regelgevende instantie aan een exploitant die beschikt over fysieke infrastructuur en tegelijkertijd leverancier is van elektronische-communicatiediensten en/of -netwerken, maar niet is aangemerkt als exploitant met een aanmerkelijke marktmacht, kan verplichten de door die instantie ex ante opgelegde voorwaarden inzake toegang tot de fysieke infrastructuur van die exploitant na te leven, met inbegrip van de regels en procedures voor het sluiten van overeenkomsten en de voor toegang toegepaste tarieven, ongeacht of er een geschil bestaat over de toegang tot de fysieke infrastructuur van deze exploitant en ongeacht of er sprake is van werkelijke mededinging op de markt? |
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/26 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Naczelny Sąd Administracyjny (Polen) op 21 april 2021 — Szef Krajowej Administracji Skarbowej/O. Fundusz Inwestycyjny Zamknięty reprezentowany przez O
(Zaak C-250/21)
(2021/C 289/36)
Procestaal: Pools
Verwijzende rechter
Naczelny Sąd Administracyjny
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Szef Krajowej Administracji Skarbowej
Verwerende partij: O. Fundusz Inwestycyjny Zamknięty reprezentowany przez O S.A.
Prejudiciële vraag
Moet artikel 135, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (1) aldus worden uitgelegd dat de vrijstelling waarin deze bepaling voorziet voor de verlening van kredieten, de bemiddeling inzake kredieten of het beheer van kredieten van toepassing is op de in het hoofdgeding beschreven subparticipatieovereenkomst?
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/26 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht Hamburg (Duitsland) op 22 april 2021 — TUIfly GmbH / FI, RE
(Zaak C-253/21)
(2021/C 289/37)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Landgericht Hamburg
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: TUIfly GmbH
Verwerende partijen: FI, RE
Prejudiciële vraag
Moeten artikel 5, lid 1, onder c), iii), artikel 7, lid 1, en artikel 8, lid 3, van verordening (EG) 261/2004 (1) aldus worden uitgelegd dat er sprake is van annulering van een vlucht wanneer de vlucht landt op een andere luchthaven van aankomst dan die waarvoor was geboekt, die niet gelegen is in dezelfde stad of regio als die waar zich de luchthaven van bestemming bevindt waarvoor was geboekt en de passagiers vervolgens met een reisbus vanuit die luchthaven worden vervoerd naar de luchthaven van bestemming waarvoor was geboekt, die zij bereiken met een vertraging bij aankomst van minder dan drie uur?
(1) Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1).
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/27 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Okręgowy w Krakowie (Polen) op 27 april 2021 — BC, DC/X
(Zaak C-269/21)
(2021/C 289/38)
Procestaal: Pools
Verwijzende rechter
Sąd Okręgowy w Krakowie
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: BC, DC
Verwerende partij: X
Prejudiciële vragen
1) |
Moeten artikel 2 en artikel 19, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna: “VEU”) en artikel 6, leden 1 tot en met 3, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten (hierna: “Handvest”), aldus worden uitgelegd dat:
|
2) |
Moeten artikel 2 en artikel 19, lid 1, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat deze bepalingen, wanneer een in de in vraag 1 beschreven omstandigheden tot rechter benoemde persoon deel uitmaakt van de rechtsprekende formatie van een rechterlijke instantie:
|
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/28 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen sad Sofia-grad (Bulgarije) op 5 mei 2021 — IG/Varhoven administrativen sad
(Zaak C-289/21)
(2021/C 289/39)
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Administrativen sad Sofia-grad
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: IG
Verwerende partij: Varhoven administrativen sad
Prejudiciële vragen
1) |
Ontslaat de wijziging van een bepaling van een nationale normatieve handeling die eerder door de rechter onverenigbaar is bevonden met een geldende bepaling van Unierecht, de cassatierechter van de verplichting om de vóór de wijziging geldende bepaling te toetsen of om te beoordelen of zij met het Unierecht verenigbaar is? |
2) |
Vormt de aanname dat de bepaling in kwestie is ingetrokken een doeltreffende voorziening in rechte ter bescherming van de door het Unierecht gewaarborgde rechten en vrijheden (in casu door de artikelen 9 en 10 van richtlijn 2012/27/EU (1)), of is er sprake van een dergelijke voorziening in rechte wanneer het volgens het nationale recht alleen mogelijk is om te toetsen of de betrokken bepaling van nationaal recht in de vóór de wijziging ervan geldende versie met het Unierecht verenigbaar was, wanneer bij de bevoegde rechter een concrete vordering wordt ingesteld tot vergoeding van als gevolg van deze bepaling geleden schade, en zulks alleen ten aanzien van de persoon die de vordering heeft ingesteld? |
3) |
Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: Is het rechtmatig dat de betrokken bepaling voor het tijdvak tussen de vaststelling en de wijziging ervan de rechtsverhoudingen blijft regelen voor een onbeperkt aantal personen die geen schadevordering in verband met die bepaling hebben ingesteld, of dat voor die personen niet werd getoetst of de bepaling van nationaal recht gedurende het tijdvak vóór de wijziging ervan verenigbaar was met het Unierecht? |
(1) Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB 2012, L 315, blz. 1).
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/29 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (Litouwen) op 7 mei 2021 — Vittamed technologijos/Valstybinė mokesčių inspekcija
(Zaak C-293/21)
(2021/C 289/40)
Procestaal: Litouws
Verwijzende rechter
Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Vittamed technologijos UAB, in vereffening
Verwerende partij: Valstybinė mokesčių inspekcija
Prejudiciële vraag
Moeten de artikelen 184 tot en met 187 van richtlijn 2006/112/EG (1) van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde aldus worden uitgelegd dat een belastingplichtige gehouden is (of niet gehouden is) tot herziening van de aftrek van belasting over de toegevoegde waarde (btw) die is geheven over de verwerving van goederen en diensten met het oog op de vervaardiging van kapitaalgoederen, indien het voornemen om die goederen te gebruiken voor belastbare economische activiteiten niet langer bestaat omdat de eigenaar (aandeelhouder) van de belastingplichtige besluit de belastingplichtige te liquideren en die belastingplichtige verzoekt te worden verwijderd uit het register van btw-plichtigen? Is voor de beantwoording van die vraag relevant wat de reden was voor het besluit om de belastingplichtige te liquideren, in dit geval wegens toenemende verliezen, het uitblijven van bestellingen en de twijfels van de aandeelhouder met betrekking tot de winstgevendheid van de geplande (voorgenomen) economische activiteit?
(1) Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/29 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour d'appel de Bruxelles (België) op 10 mei 2021 — Allianz Benelux SA / Belgische Staat, FOD Financiën
(Zaak C-295/21)
(2021/C 289/41)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Cour d'appel de Bruxelles
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Allianz Benelux SA
Verwerende partij: Belgische Staat, FOD Financiën
Prejudiciële vraag
Moet artikel 4, lid 1, van richtlijn 90/435/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (1), al dan niet gelezen in samenhang met de bepalingen van de richtlijnen 78/855/EEG (Derde richtlijn) (2) en 82/891/EEG (Zesde richtlijn) (3) inzake vennootschapsrecht, aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling die bepaalt dat de in de richtlijn bedoelde uitgekeerde winst wordt opgenomen in de belastinggrondslag van de dividenden van de verkrijgende vennootschap voordat de winst tot 95 % van het winstbedrag in mindering wordt gebracht op deze belastinggrondslag en in voorkomend geval wordt overgedragen naar latere belastbare tijdperken, maar die — bij gebreke van een specifieke bepaling die erin voorziet dat in geval van vennootschappelijke herstructureringsverrichtingen de aldus door de inbrengende vennootschap overgedragen aftrek in zijn geheel naar de verkrijgende vennootschap wordt overgebracht — tot gevolg heeft dat de bedoelde winst bij die verrichting indirect wordt belast vanwege de toepassing van een bepaling die de overdracht van genoemde aftrek beperkt naar verhouding tot het evenredige aandeel van de fiscale nettowaarde van de inbrengende vennootschap vóór de verrichting in het totaal van de fiscale nettowaarde, eveneens vóór de verrichting, van de overnemende vennootschap en van de overgenomen bestanddelen?
(2) Derde Richtlijn 78/855/EEG van de Raad van 9 oktober 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g), van het Verdrag betreffende fusies van naamloze vennootschappen (PB 1978, L 295, blz. 36).
(3) Zesde Richtlijn 82/891/EEG van de Raad van 17 december 1982 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g), van het Verdrag betreffende splitsingen van naamloze vennootschappen (PB 1982, L 378, blz. 47).
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/30 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Korkein hallinto-oikeus (Finland) op 7 mei 2021 — A
(Zaak C-296/21)
(2021/C 289/42)
Procestaal: Fins
Verwijzende rechter
Korkein hallinto-oikeus
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: A
Verwerende partijen: Helsingin poliisilaitos, Poliisihallitus
Prejudiciële vragen
In geval van overbrenging van onbruikbaar gemaakte vuurwapens binnen de Unie en gelet op de voorschriften van richtlijn 91/477/EEG van de Raad van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/51/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008, alsmede de bepalingen van de uitvoeringsverordening (EU) 2015/2403 (2) van de Commissie van 15 december 2015 tot vaststelling van gemeenschappelijke richtsnoeren betreffende normen en technieken om te waarborgen dat onbruikbaar gemaakte vuurwapens voorgoed onbruikbaar zijn, met name artikel 3, lid 1, van deze verordening:
a) |
kan een door een nationale autoriteit bevestigde controlerende entiteit die een certificaat van onbruikbaarmaking heeft afgegeven, ook dan als entiteit in de zin van de vuurwapenrichtlijn en de artikelen 3 en 7 van verordening 2015/2403 worden beschouwd, hoewel zij niet voorkomt op de lijst die de Commissie heeft gepubliceerd overeenkomstig artikel 3, lid 3, van deze verordening, wanneer verschillende autoriteiten van de betrokken lidstaat aan de overbrenger van de wapens hebben meegedeeld dat die controlerende entiteit, die de rechtsvorm van een GmbH heeft en die het certificaat heeft afgegeven, daartoe gemachtigd is volgens die verordening, en |
b) |
kan, in plaats van via een vermelding in de op de website van de Commissie gepubliceerde lijst als bedoeld in artikel 3, lid 3, van de verordening, ook aan de hand van een ander, van een nationale autoriteit verkregen bewijs worden aangetoond dat een controlerende entiteit door een lidstaat gemachtigd is om wapens onbruikbaar te maken, zodat een door deze controlerende entiteit afgegeven certificaat van onbruikbaarmaking aldus aan de eisen van de verordening voldoet en een lidstaat het in een andere lidstaat afgegeven certificaat van onbruikbaarmaking moet erkennen volgens artikel 7, lid 2, van de verordening? |
(1) Richtlijn 2008/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 tot wijziging van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (PB 2008, L 179, blz. 5).
(2) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2403 van de Commissie van 15 december 2015 tot vaststelling van gemeenschappelijke richtsnoeren betreffende normen en technieken om te waarborgen dat onbruikbaar gemaakte vuurwapens voorgoed onbruikbaar zijn (PB 2015, L 333, blz. 62).
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/31 |
Beschikking van de president van het Hof van 26 maart 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam — Nederland) — VG / Minister van Buitenlandse Zaken
(Zaak C-121/20) (1)
(2021/C 289/43)
Procestaal: Nederlands
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/31 |
Beschikking van de president van het Hof van 26 april 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht Mainz — Duitsland) — KX / PY GmbH
(Zaak C-317/20) (1)
(2021/C 289/44)
Procestaal: Duits
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/31 |
Beschikking van de president van het Hof van 27 april 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht Ravensburg — Duitsland) — QY / Bank 11 für Privatkunden und Handel GmbH
(Zaak C-336/20) (1)
(2021/C 289/45)
Procestaal: Duits
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/31 |
Beschikking van de president van het Hof van 16 april 2021 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Nürnberg — Duitsland) — flightright GmbH (C-442/20, C-443/20 en C-444/20), PN en LM (C-445/20) / Ryanair Designated Activity Company
(Gevoegde zaken C-442/20 tot en met C-445/20) (1)
(2021/C 289/46)
Procestaal: Duits
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaken gelast.
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/32 |
Beschikking van de president van het Hof van 11 maart 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof — Duitsland) — Reprensus GmbH / S-V Pavlovi Trejd EOOD
(Zaak C-591/20) (1)
(2021/C 289/47)
Procestaal: Duits
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
Gerecht
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/33 |
Arrest van het Gerecht van 2 juni 2021 — Italië / Commissie
(Zaak T-718/17) (1)
(“Regeling van het taalgebruik - Aankondiging van vergelijkende onderzoeken voor de aanwerving van administrateurs en assistenten in de sector gebouwen - Talenkennis - Beperking van de keuze van taal 2 van de vergelijkende onderzoeken tot drie talen - Verordening nr. 1 - Artikel 1 quinquies, lid 1, artikel 27 en artikel 28, onder f), van het Statuut - Discriminatie op grond van taal - Dienstbelang - Evenredigheid”)
(2021/C 289/48)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: G. Palmieri, gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: G. Gattinara, D. Milanowska en L. Vernier, gemachtigden)
Interveniënt aan de zijde van verzoekende partij: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordiger: S. Jiménez García, gemachtigde)
Voorwerp
Beroep krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van de aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AD/342/17 (AD 6), dat is georganiseerd om een reservelijst op te stellen van ingenieurs gebouwmanagement (met inbegrip van bouwtechniek en milieutechniek), en algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AST/141/17 (AST 3), dat is georganiseerd om een reservelijst op te stellen van bouwcoördinatoren en -technici (profiel 1), bouwcoördinatoren en -technici op het gebied van airconditioning, elektromechanica en elektronica (profiel 2), en assistenten op het gebied van veiligheid op het werk en veiligheid van gebouwen (profiel 3) (PB 2017, C 242 A, blz. 1)
Dictum
1) |
De aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AD/342/17 (AD 6), dat is georganiseerd om een reservelijst op te stellen van ingenieurs gebouwmanagement (met inbegrip van bouwtechniek en milieutechniek), en algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AST/141/17 (AST 3), dat is georganiseerd om een reservelijst op te stellen van bouwcoördinatoren en -technici (profiel 1), bouwcoördinatoren en -technici op het gebied van airconditioning, elektromechanica en elektronica (profiel 2), en assistenten op het gebied van veiligheid op het werk en veiligheid van gebouwen (profiel 3), wordt nietig verklaard. |
2) |
De Europese Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van de Italiaanse Republiek. |
3) |
Het Koninkrijk Spanje zal zijn eigen kosten dragen. |
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/33 |
Arrest van het Gerecht van 2 juni 2021 — Italië / Commissie
(Zaak T-71/18) (1)
(“Regeling van het taalgebruik - Aankondiging van een algemeen vergelijkend onderzoek voor de aanwerving van administrateurs op de gebieden financiële economie en macro-economie - Talenkennis - Beperking van de keuze van taal 2 van het vergelijkend onderzoek tot drie talen - Verordening nr. 1 - Artikel 1 quinquies, lid 1, artikel 27 en artikel 28, onder f), van het Statuut - Discriminatie op grond van taal - Dienstbelang - Evenredigheid”)
(2021/C 289/49)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: G. Palmieri, gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Vernier, G. Gattinara en D. Milanowska, gemachtigden)
Interveniënt aan de zijde van verzoekende partij: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordiger: S. Jiménez García, gemachtigde)
Voorwerp
Beroep krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van de aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AD/339/17, dat is georganiseerd om een reservelijst op te stellen van administrateurs (AD 7) op de volgende gebieden: 1. Financiële economie en 2. Macro-economie (PB 2017, C 386 A, blz. 1)
Dictum
1) |
De aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AD/339/17, dat is georganiseerd om een reservelijst op te stellen van administrateurs (AD 7) op de volgende gebieden: 1. Financiële economie en 2. Macro-economie, wordt nietig verklaard. |
2) |
De Europese Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van de Italiaanse Republiek. |
3) |
Het Koninkrijk Spanje zal zijn eigen kosten dragen. |
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/34 |
Arrest van het Gerecht van 2 juni 2021 — Style & Taste/EUIPO — The Polo/Lauren Company (Afbeelding van een polospeler)
(Zaak T-169/19) (1)
(“Uniemerk - Nietigheidsprocedure - Uniebeeldmerk dat een polospeler afbeeldt - Ouder nationaal model - Relatieve nietigheidsgrond - Artikel 52, lid 2, onder d), van verordening (EG) nr. 40/94 [thans artikel 60, lid 2, onder d), van verordening (EU) 2017/1001]”)
(2021/C 289/50)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Style & Taste, SL (Madrid, Spanje) (vertegenwoordiger: L. Plaza Fernández-Villa, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: S. Palmero Cabezas en H. O’Neill, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniërend voor het Gerecht: The Polo/Lauren Company LP (New York, New York, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: M. Garayalde Niño, advocaat)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 7 januari 2019 (zaak R 1272/2018-5) inzake een nietigheidsprocedure tussen Style & Taste en The Polo/Lauren Company
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Style & Taste, SL, wordt verwezen in de kosten. |
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/35 |
Beschikking van het Gerecht van 2 juni 2021 — ClientEarth e.a. / Commissie
(Zaak T-436/17) (1)
(“REACH - Besluit van de Commissie houdende verlening van een autorisatie voor bepaalde toepassingen van loodsulfochromaat geel en loodchromaatmolybdaatsulfaat rood - Artikel 64 van verordening (EG) nr. 1907/2006 - Interne herziening van een besluit houdende verlening van een autorisatie voor het in de handel brengen - Artikel 10 van verordening (EG) nr. 1367/2006 - Geen procesbelang meer - Afdoening zonder beslissing”)
(2021/C 289/51)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: ClientEarth (Londen, Verenigd Koninkrijk), Europees Milieubureau (EEB) (Brussel, België), The International Chemical Secretariat (Göteborg, Zweden), International POPs Elimination Network (IPEN) (Göteborg) (vertegenwoordiger: A. Jones, solicitor)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: G. Gattinara, R. Lindenthal en K. Mifsud-Bonnici, gemachtigden)
Interveniënt aan de zijde van verzoekende partijen: Koninkrijk Zweden (vertegenwoordigers: C. Meyer-Seitz, H. Shev, L. Zettergren, A. Alriksson, J. Lundberg en H. Eklinder, gemachtigden)
Interveniënt aan de zijde van verwerende partij: Europees Agentschap voor chemische stoffen (vertegenwoordigers: M. Heikkilä, W. Broere en F. Becker, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende ten eerste, tot nietigverklaring van besluit C(2017) 2914 final van de Commissie van 2 mei 2017 tot afwijzing van het verzoek dat is ingediend op grond van artikel 10 van verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (PB 2006, L 264, blz. 13) en waarmee werd verzocht om interne herziening van uitvoeringsbesluit C(2016) 5644 final van de Commissie van 7 september 2016 houdende verlening van een autorisatie voor bepaalde toepassingen van loodsulfochromaat geel en loodchromaatmolybdaatsulfaat rood overeenkomstig verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB 2006, L 396, blz. 1, met rectificatie in PB 2007, L 136, blz. 3), en, ten tweede, tot nietigverklaring van voormeld uitvoeringsbesluit.
Dictum
1) |
Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist. |
2) |
De Europese Commissie zal haar eigen kosten dragen, alsmede de kosten van ClientEarth, Europees Milieubureau (EEB), The International Chemical Secretariat en International POPs Elimination Network (IPEN). |
3) |
Het Koninkrijk Zweden en het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) zullen hun eigen kosten dragen. |
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/36 |
Beschikking van het Gerecht van 28 mei 2021 — Makhlouf / Commissie en ECB
(Zaak T-260/18) (1)
(“Niet-contractuele aansprakelijkheid - Economisch en monetair beleid - Programma ter ondersteuning van de stabiliteit van Cyprus - Memorandum van overeenstemming inzake specifieke economische beleidsvoorwaarden dat op 26 april 2013 is gesloten tussen Cyprus en het Europees Stabiliteitsmechanisme - Verzoeker die niet meer antwoordt op de verzoeken van het Gerecht - Afdoening zonder beslissing”)
(2021/C 289/52)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Rami Makhlouf (Damascus, Syrië) (vertegenwoordiger: E. Ruchat, advocaat)
Verwerende partijen: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Flynn, T. Materne en T. Maxian Rusche, gemachtigden), Europese Centrale Bank (vertegenwoordigers: O. Heinz, G. Várhelyi en P. Papapaschalis, gemachtigden, bijgestaan door H.-G. Kamann, advocaat)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 268 VWEU tot vergoeding van de schade die verzoeker stelt te hebben geleden ten gevolge van het memorandum van overeenstemming inzake specifieke economische beleidsvoorwaarden dat op 26 april 2013 is gesloten tussen Cyprus en het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM)
Dictum
1) |
Op het onderhavige beroep hoeft niet meer te worden beslist. |
2) |
Rami Makhlouf wordt behalve in zijn eigen kosten verwezen in de kosten van de Europese Centrale Bank (ECB). |
3) |
De Europese Commissie zal haar eigen kosten dragen. |
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/37 |
Beschikking van het Gerecht van 31 mei 2021 — König Ludwig International/EUIPO (Royal Bavarian Beer)
(Zaak T-332/20) (1)
(“Uniemerk - Internationale inschrijving met aanduiding van de Europese Unie - Woordmerk Royal Bavarian Beer - Absolute weigeringsgrond - Beschrijvend karakter - Artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EU) 2017/1001 - Recht om te worden gehoord - Artikel 94, lid 1, van verordening 2017/1001 - Eenheidskarakter van het Uniemerk - Artikel 1, lid 2, van verordening 2017/1001 - Beroep dat kennelijk rechtens ongegrond is”)
(2021/C 289/53)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: König Ludwig International GmbH & Co. KG (Geltendorf, Duitsland) (vertegenwoordigers: O. Spuhler en J. Stock, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: S. Palmero Cabezas, gemachtigde)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 1 april 2020 (zaak R 1714/2019-4) inzake de internationale inschrijving, met aanduiding van de Europese Unie, van het woordmerk Royal Bavarian Beer
Dictum
1) |
Het beroep wordt kennelijk rechtens ongegrond verklaard. |
2) |
König Ludwig International GmbH & Co. KG wordt verwezen in de kosten. |
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/37 |
Beroep ingesteld op 4 mei 2021 — Luossavaara Kiirunavaara/Commissie
(Zaak T-244/21)
(2021/C 289/54)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Luossavaara Kiirunavaara AB (Luleå, Zweden) (vertegenwoordigers: A. Bryngelsson, F. Sjövall en A. Johansson, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
— |
artikel 1, lid 3, van het besluit van de Europese Commissie van 25 februari 2021 betreffende nationale uitvoeringsmaatregelen voor de voorlopige kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten overeenkomstig artikel 11, lid 3, van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 (1), nietig verklaren; |
— |
de Commissie verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij zes middelen aan.
1. |
Eerste middel: het bestreden besluit is in strijd met de regelgeving inzake het Emissions Trading System (ETS), in het bijzonder bijlage 1 bij gedelegeerde verordening (EU) 2019/331 van de Commissie van 19 december 2018 (2) en artikel 10 bis, lid 1, van richtlijn 2003/87/EG (3).
|
2. |
Tweede middel: het bestreden besluit schendt de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie.
|
3. |
Derde middel: het bestreden besluit schendt de verplichtingen van de EU op het vlak van internationaal milieurecht.
|
4. |
Vierde middel: het bestreden besluit schendt de verplichting van de bevoegde instelling om alle relevante aspecten van een individueel geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken.
|
5. |
Vijfde middel: het bestreden besluit schendt de in artikel 296 VWEU neergelegde motiveringsplicht.
|
6. |
Zesde middel: subsidiair voert verzoekster aan dat gedelegeerde verordening (EU) 2019/331 op grond van artikel 277 VWEU onwettig moet worden verklaard voor zover deze vanaf de datum van de uitspraak van toepassing is op het bestreden besluit.
|
(1) Besluit (EU) 2021/355 van de Commissie van 25 februari 2021 betreffende nationale uitvoeringsmaatregelen voor de voorlopige kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten overeenkomstig artikel 11, lid 3, van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB 2021, L 68, blz. 221).
(2) Gedelegeerde verordening (EU) 2019/331 van de Commissie van 19 december 2018 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB 2019, L 59, blz. 8).
(3) Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB 2003, L 275, blz. 32).
(4) De naam van de producent werd weggelaten.
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/39 |
Beroep ingesteld op 17 mei 2021 — Sturz/EUIPO — Clatronic International (STEAKER)
(Zaak T-261/21)
(2021/C 289/55)
Taal van het verzoekschrift: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Manfred Sturz (Schorndorf, Duitsland) (vertegenwoordiger: B. Bittner, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Clatronic International GmbH (Kempen, Duitsland)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Houder van het betrokken merk: verzoekende partij
Betrokken merk: Uniewoordmerk STEAKER — Uniemerk nr. 16 707 465
Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 4 maart 2021 in zaak R 214/2020-2
Conclusies
— |
de bestreden beslissing vernietigen; |
— |
het EUIPO verwijzen in de kosten; |
— |
in voorkomend geval interveniënte verwijzen in haar eigen kosten; |
— |
subisidiair, terugverwijzing van de zaak naar de kamer van beroep. |
Aangevoerde middelen
— |
schending van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad; |
— |
schending van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad; |
— |
schending van het recht om te worden gehoord in de zin van artikel 94 van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad; |
— |
ontbreken van een volledig onderzoek en onjuiste opvatting van feiten en bewijzen overeenkomstig artikel 72, lid 2, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad; |
— |
misbruik van bevoegdheid door de kamer van beroep door de niet-toelating van bewijzen. |
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/40 |
Beroep ingesteld op 21 mei 2021 — Nowhere/EUIPO — Junguo Ye (APE TEES)
(Zaak T-281/21)
(2021/C 289/56)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Nowhere Co. Ltd (Tokio, Japan) (vertegenwoordiger: R. Kunze, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Junguo Ye (Elche, Spanje)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Aanvrager van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep
Betrokken merk: aanvraag voor Uniebeeldmerk APE TEES in de kleuren zwart en bruin — inschrijvingsaanvraag nr. 14 319 578
Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 10 februari 2021 in zaak R 2474/2017-2
Conclusies
— |
vernietiging van de bestreden beslissing; |
— |
verwijzing van het EUIPO in de kosten, met inbegrip van de kosten van de procedures voor de kamer van beroep en de oppositieafdeling. |
Aangevoerd middel
— |
schending van artikel 8, lid 4, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad. |
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/40 |
Beroep ingesteld op 21 mei 2021 — SS en ST / Frontex
(Zaak T-282/21)
(2021/C 289/57)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: SS, ST (vertegenwoordigers: M. Van den Broeck en L. Lambert, advocaten)
Verwerende partij: Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex)
Conclusies
— |
Het beroep ontvankelijk verklaren en ten gronde te onderzoeken; |
— |
Vaststellen dat Frontex, na overeenkomstig artikel 265 VWEU te zijn uitgenodigd tot handelen, heeft nagelaten om de financiering van haar activiteiten in de Egeïsche-Zeeregio in te trekken dan wel deze activiteiten geheel of ten dele te schorsen of te beëindigen (artikel 46, lid 4, van de EBCG-verordening (1)), dat het voorts heeft nagelaten om overeenkomstig artikel 46, lid 6, van de EBCG-verordening naar behoren gemotiveerde gronden aan te voeren voor het niet in werking stellen van die maatregel, en dat het ten slotte heeft nagelaten om anderszins haar standpunt te bepalen in antwoord op het voorlopig verzoek van verzoeksters; |
— |
Vaststellen dat deze nalatigheid een schending van de Verdragen vormt in de zin van artikel 265 VWEU. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voeren de verzoekende partijen drie middelen aan.
1. |
Met het eerste middel wordt betoogd dat zich ernstige en voortdurende schendingen voordoen van de grondrechten en de internationale verplichtingen tot bescherming in de Egeïsche Zee-regio, welke schendingen verband houden met de activiteiten van Frontex, en dat de uitvoerend directeur [van Frontex] deze activiteiten dient te schorsen of te beëindigen, in de zin van artikel 46 van de EBCG-verordening. Verzoekers voeren aan dat uit het verzamelde bewijsmateriaal blijkt dat de in maart 2020 ingevoerde “nieuwe tactieken” in het kader van grenscontroleoperaties in de Egeïsche Zee-regio neerkomen op een beleid van de staat (Griekenland) en de organisatie (Frontex) van stelselmatige en wijdverbreide aanvallen tegen burgerbevolkingen die asiel zoeken in de EU, hetgeen in strijd is met onder meer het recht op leven, het verbod van collectieve uitzetting, het beginsel van non-refoulement en het recht op asiel. |
2. |
Met het tweede middel wordt gesteld dat Frontex zijn positieve verplichtingen uit hoofde van het Handvest van de grondrechten niet is nagekomen wat betreft het voorkomen van voorzienbare schendingen van bovengenoemde grondrechten die zich in de Egeïsche Zee-regio voordoen in het kader van zijn werkzaamheden. Frontex heeft geen concreet gevolg gegeven aan positieve verplichtingen die op hem rusten krachtens andere artikelen dan artikel 46 van de EBCG-verordening, zoals monitoring- en verslagleggingsverplichtingen, en die verband houden met of zelfs verweven zijn met de toepassing van artikel 46 van de EBCG-verordening. |
3. |
Met het derde middel wordt aangevoerd dat de nalatigheid van Frontex om te handelen in de context van artikel 265 VWEU verzoekers rechtstreeks en individueel raakt, aangezien het nieuwe door Griekenland en Frontex gevoerde beleid van systematische en wijdverspreide praktijken waarbij sprake is van het ontvoering vanuit EU-grondgebied, gedwongen overbrenging terug naar zee, onderschepping op zee, achterlating op zee op niet-zeewaardige schepen waardoor ernstig levensgevaar wordt veroorzaakt, onrechtmatig refoulement, collectieve uitzetting en belemmering van de toegang tot asiel, reeds meerdere malen schadelijke gevolgen heeft gehad voor verzoekers’ situatie. De aanhoudende nalatigheid van Frontex om passende maatregelen te nemen ter voorkoming van deze schendingen – met inbegrip van de opschorting of beëindiging van zijn activiteiten overeenkomstig artikel 46 – vergroot aanzienlijk het risico dat verzoekers voor de zesde maal opnieuw worden onderworpen aan precies dezelfde schendingen van de Verdragen, alsook van het internationale en Europese gewoonterecht en verdragsrecht. |
(1) Verordening (EU) 2019/1896 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2019 betreffende de Europese grens- en kustwacht en tot intrekking van verordening (EU) nr. 1052/2013 en verordening (EU) 2016/1624 (PB 2019, L 295, blz. 1).
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/41 |
Beroep ingesteld op 25 mei 2021 — Cathay Pacific Airways/Commissie
(Zaak T-291/21)
(2021/C 289/58)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Cathay Pacific Airways Ltd (Hong Kong, China) (vertegenwoordigers: M. Rees en E. Estellon, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
— |
De Europese Unie (vertegenwoordigd door de Europese Commissie) op grond van de artikelen 268 en 340 VWEU veroordelen tot betaling van:
|
— |
Het bestreden besluit (1) krachtens artikel 263 VWEU nietig verklaren. |
— |
De Europese Commissie verwijzen in alle kosten van de onderhavige procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van de vordering tot schadevergoeding voert verzoekster één middel aan. Zij stelt dat de Europese Unie op grond van de artikelen 266, 268 en 340 VWEU niet-contractueel aansprakelijk is en haar om die reden een schadevergoeding verschuldigd is ten belope van de vertragingsrente over de referentieperiode.
Ter ondersteuning van het beroep tot nietigverklaring voert verzoekster vier middelen aan.
1. |
Het Gerecht dient het bestreden besluit nietig te verklaren omdat de daarin gehanteerde grond voor de afwijzing van het verzoek als zijnde verjaard, neerkomt op een onjuiste rechtsopvatting. |
2. |
Het bestreden besluit is in strijd met verordening nr. 2342/2002 van de Commissie (2), zoals uitgelegd in overeenstemming met artikel 266 VWEU. |
3. |
Het bestreden besluit is in strijd met gedelegeerde verordening nr. 1268/2012 (3), zoals uitgelegd in overeenstemming met artikel 266 VWEU. |
4. |
Het Gerecht dient het bestreden besluit nietig te verklaren omdat het ontoereikend is gemotiveerd. |
(1) Nr. Ares(2021)2113498 van 25 maart 2021.
(2) Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB 2002, L 357, blz. 1).
(3) Gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB 2012, L 362, blz. 1).
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/42 |
Beroep ingesteld op 25 mei 2021 — Singapore Airlines Cargo/Commissie
(Zaak T-292/21)
(2021/C 289/59)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Singapore Airlines Cargo Pte Ltd (Singapore, Singapore) (vertegenwoordigers: J. Wileur, J. Poitras, J. Ruiz Calzado en N. Solárová, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
— |
het beroep ontvankelijk verklaren; |
— |
de Europese Unie, vertegenwoordigd door de Commissie, veroordelen tot vergoeding van de schade die verzoekster heeft geleden omdat de Commissie heeft nagelaten overeenkomstig artikel 266 VWEU vertragingsrente te betalen ter uitvoering van het arrest van 16 december 2015 in zaak T-43/11, Singapore Airlines en Singapore Airlines Cargo /Commissie, en dus tot betaling overeenkomstig artikel 340, tweede alinea, VWEU, artikel 268 VWEU en artikel 266, tweede alinea, VWEU van de volgende bedragen:
|
— |
daarnaast, of subsidiair, het besluit van de Europese Commissie van 25 maart 2021, waarbij zij verzoeksters verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen, nietig verklaren krachtens artikel 263 VWEU wegens het nalaten om vertragingsrente en samengestelde rente te betalen. |
— |
de Europese Commissie verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van de vordering tot schadevergoeding voert verzoekster één middel aan. Zij stelt dat de Europese Unie op grond van artikel 266, tweede alinea, artikel 268 en artikel 340, tweede alinea, VWEU niet-contractueel aansprakelijk is en haar om die reden een schadevergoeding verschuldigd is, die de Commissie haar op grond van artikel 266, eerste alinea, VWEU had moeten uitkeren toen zij het hoofdbedrag van de in overeenstemming met het besluit van de Commissie in zaak COMP/39258 — Airfreight voorlopig betaalde boete terugbetaalde nadat dit besluit nietig werd verklaard in het arrest van het Gerecht in zaak T-43/11, Singapore Airlines en Singapore Airlines Cargo/Commissie. Verzoekster verzoekt ook om vergoeding van de rente over het bedrag aan vertragingsrente die de Commissie niet heeft betaald en over het bedrag aan samengestelde rente, vanaf de datum waarop verzoekster de Commissie heeft verzocht de verschuldigde rentebedragen te voldoen.
Ter ondersteuning van het beroep tot nietigverklaring voert verzoekster drie middelen aan.
1. |
De Europese Commissie heeft in haar besluit van 25 maart 2021 tot afwijzing van verzoeksters verzoek om betaling van rente ten onrechte geoordeeld dat dit verzoek verjaard was. Het oordeel van de Europese Commissie wijkt af van de rechtspraak en wordt niet ondersteund door het arrest van het Hof van 20 januari 2021 in zaak C-301/19, Commissie/Printeos (EU:C:2021:39). |
2. |
De Europese Commissie heeft zich in haar besluit ten onrechte uitsluitend gebaseerd op artikel 85 bis, lid 2, van verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB 2002, L 357, blz. 1) en heeft ten onrechte geen rekening gehouden met artikel 266, eerste alinea, VWEU zoals uitgelegd in het arrest van het Hof van 20 januari 2021 in zaak C-301/19, Commissie/Printeos (EU:C:2021:39). |
3. |
Het besluit van de Europese Commissie van 25 maart 2021 is ontoereikend gemotiveerd aangezien het in strijd met artikel 296, lid 2, VWEU onvoldoende met redenen is omkleed. |
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/44 |
Beroep ingesteld op 21 mei 2021 — Troy Chemical en Troy/Commissie
(Zaak T-297/21)
(2021/C 289/60)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: Troy Chemical Co. BV (Delft, Nederland) en Troy Corp. (Florham Park, New Jersey, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: D. Abrahams, H. Widemann en Ł. Gorywoda, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
— |
uitvoeringsverordening (EU) 2021/348 van de Commissie van 25 februari 2021 (1) in haar geheel nietig verklaren; |
— |
andere of verdere maatregelen nemen die rechtens noodzakelijk zijn; |
— |
de Commissie verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters vier middelen aan.
1. |
Door de geldigheidsduur van de goedkeuring van carbendazim vast te stellen op drie jaar heeft de Europese Commissie het recht onjuist toegepast, misbruik gemaakt van haar bevoegdheid, het (aan de toepasselijke richtsnoeren ontleende) gewettigd vertrouwen geschonden, het non-discriminatiebeginsel geschonden en een kennelijke beoordelingsfout gemaakt. |
2. |
De Commissie heeft een kennelijke beoordelingsfout gemaakt en misbruik gemaakt van haar bevoegdheid door tot de conclusie te komen dat “specifieke voorwaarden” vereist waren om de toelating voor biociden voor gebruik in verf en gips die bestemd zijn voor gebruik buitenshuis te verbieden. |
3. |
Door tot de conclusie te komen dat “specifieke voorwaarden” vereist waren om het in de handel brengen van specifiek behandelde voorwerpen (verf en gips die zijn behandeld met carbendazim of deze stof bevatten) voor gebruik buitenshuis te verbieden, heeft de Commissie een kennelijke beoordelingsfout gemaakt en het recht onjuist toegepast. |
4. |
De Commissie heeft het recht onjuist toegepast en de feiten verkeerd opgevat door tot de conclusie te komen dat “specifieke voorwaarden” vereist waren voor de vermelding op het etiket van verf en gips die met carbendazim zijn behandeld of deze stof bevatten, dat zij niet buitenshuis mogen worden gebruikt. |
(1) Uitvoeringsverordening (EU) 2021/348 van de Commissie van 25 februari 2021 tot goedkeuring van carbendazim als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden van de productsoorten 7 en 10 (Voor de EER relevante tekst) (PB 2021, L 68, blz. 174-177).
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/45 |
Beroep ingesteld op 27 mei 2021 — ABOCA e.a. / Commissie
(Zaak T-302/21)
(2021/C 289/61)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: ABOCA SpA Società Agricola (Sansepolcro, Italië), Coswell SpA (Funo di Argelato, Italië), Associação portuguesa de suplementos alimentares (Apard) (Lissabon, Portugal) (vertegenwoordigers: B. Kelly, Solicitor, K. Ewert, advocaat, D. Scannell, en C. Thomas, Barristers-at-law)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
Verordening (EU) 2021/468 van de Commissie van 18 maart 2021 tot wijziging van bijlage III bij verordening (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft botanische soorten die hydroxyantraceenderivaten bevatten (1) (hierna: “bestreden verordening”) geheel of (subsidiair) gedeeltelijk nietig verklaren en de Commissie verwijzen in de kosten
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen drie middelen aan.
1. |
Eerste middel: het besluit van de Commissie om te handelen op grond van verordening (EG) nr. 1925/2006 (hierna: “toevoegingsverordening”) is onrechtmatig:
|
2. |
Tweede middel: de bestreden verordening brengt rechtsonzekerheid met zich mee:
|
3. |
Derde middel: de beoordeling die de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (“EFSA”) in 2017 heeft verricht, kan niet voldoen aan het in de toevoegingsverordening neergelegde juridische criterium:
|
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/46 |
Beroep ingesteld op 31 mei 2021 — FC / EASO
(Zaak T-303/21)
(2021/C 289/62)
Procestaal: Grieks
Partijen
Verzoekende partij: FC (vertegenwoordiger: Β. Christianos, advocaat)
Verwerende partij: Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO)
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
— |
het bestreden besluit tot afwijzing van de klacht die zij op 26 maart 2021 uit hoofde van artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie heeft ingediend, nietig te verklaren; |
— |
de verwerende partij te verwijzen in alle kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter onderbouwing van het beroep voert de verzoekende partij het volgende aan.
Het bestreden besluit is in strijd met het beginsel van proceseconomie en met haar recht op een doeltreffende voorziening in rechte, en wel om de volgende redenen:
1. |
schending van haar rechten van verdediging, aangezien de verwerende partij de tuchtprocedure nog steeds niet met fouten en schendingen van grondrechten in verband brengt die de verwerende partij heeft begaan in een eerder stadium, namelijk de beginfase van de tuchtprocedure, en die ook gevolgen hebben voor de tweede fase van de tuchtprocedure; |
2. |
schending van haar recht om te worden gehoord. |
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/46 |
Beroep ingesteld op 1 juni 2021 — Classen Holz Kontor/EUIPO — Deutsche Steinzeug Cremer & Breuer (DRYTILE)
(Zaak T-307/21)
(2021/C 289/63)
Taal van het verzoekschrift: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Classen Holz Kontor GmbH (Kaisersesch, Duitsland) (vertegenwoordigers: M. Bergermann en D. Graetsch, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Deutsche Steinzeug Cremer & Breuer AG (Alfter, Duitsland)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij
Betrokken merk: aanvraag voor Uniebeeldmerk DRYTILE — inschrijvingsaanvraag nr. 17 999 950
Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 19 maart 2021 in zaak R 1226/2020-4
Conclusies
— |
vernietiging van de bestreden beslissing; |
— |
verwijzing van het EUIPO in de kosten van de procedure, daaronder begrepen de kosten van de beroepsprocedure. |
Aangevoerd middel
— |
schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad. |
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/47 |
Beroep ingesteld op 1 juni 2021 — Classen Holz Kontor/EUIPO — Deutsche Steinzeug Cremer & Breuer (new type tiling DRYTILE)
(Zaak T-308/21)
(2021/C 289/64)
Taal van het verzoekschrift: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Classen Holz Kontor GmbH (Kaisersesch, Deutschland) (vertegenwoordigers: M. Bergermann en D. Graetsch, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Deutsche Steinzeug Cremer & Breuer AG (Alfter, Duitsland)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij
Betrokken merk: aanvraag voor Uniebeeldmerk new type tiling DRYTILE — inschrijvingsaanvraag nr. 18 000 526
Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 19 maart 2021 in zaak R 1227/2020-4
Conclusies
— |
vernietiging van de bestreden beslissing; |
— |
verwijzing van het EUIPO in de kosten van de procedure, daaronder begrepen de kosten van de beroepsprocedure. |
Aangevoerd middel
— |
schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad. |
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/48 |
Beroep ingesteld op 2 juni 2021 — Air Canada / Commissie
(Zaak T-310/21)
(2021/C 289/65)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Air Canada (Saint Laurent, Quebec, Canada) (vertegenwoordigers: T. Soames, I.-Z. Prodromou-Stamoudi, advocaten, en T. Johnston, Barrister)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
— |
de Europese Unie, vertegenwoordigd door de Commissie, veroordelen tot vergoeding van de schade die Air Canada heeft geleden doordat de Commissie heeft nagelaten de krachtens artikel 266, eerste alinea, VWEU verschuldigde vertragingsrente en samengestelde rente te betalen teneinde uitvoering te geven aan het arrest van 16 december 2015, Air Canada/Commissie (zaak T-9/11), en derhalve tot betaling, krachtens artikel 266, tweede alinea, VWEU, artikel 268 VWEU en artikel 340, tweede alinea, VWEU van de volgende bedragen:
|
— |
subsidiair, het bestreden besluit nietig verklaren; en |
— |
de Commissie verwijzen in de kosten van verzoekster. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij twee middelen aan.
1. |
Met het eerste middel wordt betoogd dat de Europese Unie niet-contractueel aansprakelijk is voor de betaling van bepaalde bedragen aan verschuldigde rente. Verzoekster stelt dat de Commissie haar op 8 februari 2016 een bedrag aan rente heeft betaald dat overeenkomt met het “gegarandeerde rendement” van een door verzoekster op 10 februari 2011 betaalde voorlopige betaling. Verzoekster betoogt dat het “gegarandeerde rendement” evenwel niet de bedragen weergaf die aan haar verschuldigd waren uit hoofde van vertragingsrente. Bijgevolg stelt verzoekster dat de Commissie artikel 268 VWEU heeft geschonden en vordert zij veroordeling van de Commissie tot betaling van de vertragingsrente en de samengestelde rente. |
2. |
Met het tweede middel wordt aangevoerd dat het verzoek om betaling van rente niet was verjaard en dat het Gerecht het besluit van de Commissie van 25 maart 2021 (1) bijgevolg nietig had moeten verklaren. |
(1) Ref. Ares(2021)2113744 van 25 maart 2021.
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/49 |
Beroep ingesteld op 3 juni 2021 — SAS Cargo Group e.a./Commissie
(Zaak T-313/21)
(2021/C 289/66)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: SAS Cargo Group A/S (Kastrup, Denemarken), Scandinavian Airlines System Denmark-Norway-Sweden (Stockholm, Zweden), SAS AB (Stockholm) (vertegenwoordigers: B. Creve, M. Kofmann, J. Killick en G. Forwood, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
— |
De Europese Unie, vertegenwoordigd door de Europese Commissie, veroordelen tot:
|
— |
Het besluit van de Commissie van 25 maart 2021 houdende afwijzing van verzoeksters’ verzoek om vergoeding van niet-contractuele schade nietig verklaren. |
— |
De Commissie verwijzen in haar eigen kosten en in die van verzoeksters. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun vordering tot schadevergoeding voeren verzoeksters met hun enige middel aan dat de Commissie verzoeksters niet het juiste bedrag aan rente heeft betaald na de nietigverklaring van besluit C(2010) 7694 final van de Commissie van 9 november 2010 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (Zaak C.39258 — Luchtvracht).
Ter ondersteuning van hun vordering tot nietigverklaring voeren verzoeksters twee middelen aan:
1. |
In het bestreden besluit heeft de Commissie blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat verzoeksters’ vordering wegens niet-contractuele aansprakelijkheid op grond van artikel 340 VWEU was verjaard krachtens artikel 46 van het Statuut. |
2. |
In het bestreden besluit heeft de Commissie blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich te baseren op artikel 85 bis, lid 2, van verordening nr. 2342/2002 van de Commissie om verzoeksters’ schadevordering af te wijzen, in een situatie waarin, ten eerste, verordening nr. 2342/2002 op het relevante tijdstip niet van toepassing was en, ten tweede, de naleving van artikel 90 van verordening nr. 1268/2012 (en mutatis mutandis artikel 85 bis, lid 2, van verordening nr. 2342/2002 van de Commissie) deze instelling niet ontslaat van haar verplichting om overeenkomstig artikel 266, eerste alinea, VWEU vertragingsrente te betalen. |
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/50 |
Beroep ingesteld op 4 juni 2021 — TA / Parlement
(Zaak T-314/21)
(2021/C 289/67)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: TA (vertegenwoordiger: M. Casado García-Hirschfeld, advocaat)
Verwerende partij: Europees Parlement
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
— |
het beroep ontvankelijk te verklaren; |
— |
haar beoordelingsrapport over het jaar 2019 en, voor zover nodig, het besluit van Welle van 29 maart 2021 dat een antwoord vormt op de klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut nietig te verklaren; |
— |
de verwerende partij te verwijzen in alle kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij twee middelen aan.
1. |
Eerste middel, ontleend aan schending van artikel 43 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: “Statuut”), van artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 11, van de interne regels voor de toepassing van de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 43 van het Statuut, alsmede schending van artikel 15, lid 2, en artikel 87, lid 1, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie. De verzoekende partij stelt met name dat de beoordelaars bovengenoemde bepalingen hebben geschonden, door er geen rekening mee te houden dat er voor 2019 geen doelstellingen waren vastgesteld. |
2. |
Tweede middel, ontleend aan een inhoudelijke onjuistheid van de feiten waardoor sprake is van een kennelijke beoordelingsfout. |
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/50 |
Beroep ingesteld op 4 juni 2021 — Laboratorios Ern/EUIPO — Nordesta (APIAL)
(Zaak T-315/21)
(2021/C 289/68)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Laboratorios Ern, SA (Barcelona, Spanje) (vertegenwoordiger: I. Miralles Llorca, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Nordesta GmbH (München, Duitsland)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Aanvrager van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep
Betrokken merk: aanvraag voor Uniewoordmerk APIAL — inschrijvingsaanvraag nr. 17 958 998
Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 25 maart 2021 in zaak R 1560/2020-4
Conclusies
— |
de bestreden beslissing vernietigen en de aanvraag voor Uniemerk APIAL (nr. 17 958 998) afwijzen voor alle waren van de klassen 3, 4 en 5; |
— |
het EUIPO en Nordesta GmbH, mocht zij interveniëren, verwijzen in de kosten. |
Aangevoerde middelen
— |
schending van artikel 8, lid 1, onder b),van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad; |
— |
schending van artikel 8, lid 5, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad. |
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/51 |
Beroep ingesteld op 6 juni 2021 — Worldwide Machinery/EUIPO — Scaip (SUPERIOR MANUFACTURING)
(Zaak T-316/21)
(2021/C 289/69)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Worldwide Machinery Ltd (Channelview, Texas, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: B. Woltering, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Scaip SpA (Parma, Italië)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Houder van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep
Betrokken merk: Uniebeeldmerk SUPERIOR MANUFACTURING — Uniemerk nr. 11 385 333
Procedure voor het EUIPO: vervallenverklaringsprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO van 25 maart 2021 in zaak R 873/2020-5
Conclusies
— |
de bestreden beslissing volledig vernietigen en de beslissing van de nietigheidsafdeling van 12 maart 2020 in vervallenverklaringsprocedure nr. 28 762 C vernietigen voor zover de vordering tot vervallenverklaring van Uniemerk nr. 11 385 533 werd afgewezen; |
— |
het litigieuze Uniemerk vervallen verklaren voor de volgende waren: klasse 12: gemechaniseerde machines voor de vervaardiging van pijpleidingen, gas- en waterleidingen, voertuigen met gemechaniseerde apparatuur voor het leggen van buizen, sets voor het ombouwen van voertuigen op rupsbanden in voertuigen met gemechaniseerde apparatuur voor het leggen van buizen, zeefbakken, zuignappen voor hijsapparaten, hydraulische mandrijnen, gemechaniseerde machines voor het ombuigen van buizen; |
— |
terugbetaling van de in de procedure voor het Gerecht gemaakte kosten gelasten. |
Aangevoerd middel
— |
schending van artikel 58 van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad. |
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/52 |
Beroep ingesteld op 7 juni 2021 — El Corte Inglés/EUIPO — Brito & Pereira (TINTAS BRICOR)
(Zaak T-317/21)
(2021/C 289/70)
Taal van het verzoekschrift: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: El Corte Inglés, SA (Madrid, Spanje) (vertegenwoordiger: J. Rivas Zurdo, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Brito & Pereira (Vizela, Portugal)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Aanvrager van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep
Betrokken merk: aanvraag voor Uniebeeldmerk TINTAS BRICOR — inschrijvingsaanvraag nr. 17 944 336
Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 26 maart 2021 in zaak R 882/2020-1
Conclusies
— |
de bestreden beslissing vernietigen, voor zover door de verwerping van het beroep van opposante de beslissing van de oppositieafdeling in oppositieprocedure B 3 070 825 wordt bevestigd waarbij de inschrijving van het Uniebeeldmerk TINTAS BRICOR (nr. 17 944 336) wordt toegestaan ter onderscheiding van bepaalde waren en diensten van de klasse 2 en 35; |
— |
de tegenpartij(en) verwijzen in de kosten. |
Aangevoerde middelen
— |
onjuiste beoordeling van de bewijzen inzake het gebruik van de oppositiemerken. |
— |
onverenigbaarheden in de motivering door de inconsistentie of interne tegenstrijdigheid ervan, gelet op het bestaan van duidelijke tegenstrijdigheden tussen punten als de punten 44, 45 en 46 en de eindconclusie, door in die punten het bestaan van promotieacties, reclamecampagnes en zakelijke administratie onder het merk BRICOR te erkennen, hetgeen in punt 56 wordt ontkend. |
19.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 289/53 |
Beschikking van het Gerecht van 4 juni 2021 — Novelis/Commissie
(Zaak T-680/20) (1)
(2021/C 289/71)
Procestaal: Engels
De president van de Negende kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.