Geen bezwaar tegen een uitvoeringsmaatregel: wijzigingen wat International Accounting Standard 39 en International Financial Reporting Standards 7 en 9 betreft
120k
43k
Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen het ontwerp van verordening van de Commissie houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat International Accounting Standard 39 en International Financial Reporting Standards 7 en 9 betreft (D064618/01 – 2019/2912(RPS))
– gezien het ontwerp van verordening van de Commissie (D064618/01),
– gezien Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen(1), en met name artikel 3, lid 1,
– gezien de brief van de Commissie van 7 november 2019, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de ontwerpverordening,
– gezien het schrijven van de Commissie economische en monetaire zaken aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters van 3 december 2019,
– gezien artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(2),
– gezien artikel 112, lid 4, onder d), en artikel 111, lid 6, van zijn Reglement,
– gezien het advies van de Commissie economische en monetaire zaken,
A. overwegende dat de International Accounting Standards Board (IASB) op 26 september 2019 wijzigingen in International Financial Reporting Standard (IFRS) 9 - Financiële instrumenten, en in International Accounting Standard (IAS) 39 - Financiële instrumenten heeft bekendgemaakt; overwegende dat deze wijzigingen tot doel hebben de zorgen weg te nemen in verband met de vervanging van het Interbank Offered Rate (IBOR) van “fase 1”; overwegende dat deze wijzigingen ondernemingen die verslag leggen overeenkomstig IFRS en hun accountants duidelijkheid verschaffen dat de door regelgeving geïnitieerde en voor de hele markt geldende vervanging van referentierentetarieven door verbeterde (bijna) risicovrije rentetarieven niet tot verstoring van de afdekkingsrelaties ten gevolg van vervangingsonzekerheid zal leiden; overwegende dat deze wijzigingen rechtszekerheid in het IFRS- en IAS-kader voor financiële verslaglegging tot stand brengen, en onnodige stress in het financieel stelsel voorkomen; overwegende dat de Commissie de IASB aangespoord had deze wijzigingen versneld bekend te maken, zodat de Unie ze tijdig kan goedkeuren;
B. overwegende dat de European Financial Reporting Advisory Group (EFRAG) de Commissie op 16 oktober 2019 een positief advies inzake goedkeuring heeft doen toekomen;
C. overwegende dat de Commissie tot de slotsom is gekomen dat de interpretatie voldoet aan de technische criteria voor goedkeuring als bedoeld in artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1606/2002, en stelt dat deze voorgestelde wijzigingen onderbreking van de afdekkingsrelaties ten gevolg van onzekerheden in verband met de IBOR-transitie voorkomen, zodat jaarrekeningen overeenkomstig IFRS een juist beeld kunnen geven van de impact van risicobeheer en ongewenste volatiliteit bij winst en verlies kunnen vermijden;
D. overwegende dat het regelgevend comité voor financiële verslaglegging op 5 november 2019 een positief advies over deze wijzigingen heeft uitgebracht;
E. overwegende dat de IASB de ingangsdatum voor deze wijzigingen in IFRS 9 en IAS 39 heeft vastgesteld op 1 januari 2020, waarbij eerdere toepassing is toegestaan; overwegende dat financiële instellingen die zich aan de IFRS- en IAS-regels moeten houden voor hun jaarrekening 2019 geen gebruik kunnen maken van de behandeling als bedoeld in deze voorgestelde wijzigingen voordat deze goedgekeurd en bekendgemaakt zijn; overwegende dat indien ondernemingen in de Unie geen gebruik zouden kunnen maken van de wijzigingen in kwestie zij zich in een nadelige positie zouden bevinden ten opzichte van hun concurrenten in andere jurisdicties; overwegende dat deze wijzigingen derhalve vóór eind december 2019 goedgekeurd en bekendgemaakt moeten worden, teneinde toepasbaar te zijn voor boekjaren die op, na of voor 1 januari 2020 beginnen;
1. verklaart geen bezwaar te maken tegen het ontwerp van verordening van de Commissie;
2. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Commissie en, ter informatie, aan de Raad.
Besluit van het Europees Parlement van 18 december 2019 houdende verkiezing van de Europese Ombudsman (2019/2042(INS))
Het Europees Parlement,
— gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 24, derde alinea, en artikel 228,
— gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,
— gezien zijn Besluit 94/262/EGKS, EG, Euratom van 9 maart 1994 inzake het Statuut van de Europese Ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt(1),
1. verkiest Emily O'REILLY om de functie van Europese Ombudsman uit te oefenen tot het eind van de zittingsperiode;
2. verzoekt Emily O'REILLY voor het Hof van Justitie de eed af te leggen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het besluit als bijlage bekend te maken in het Publicatieblad van de Europese Unie;
4. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en het Hof van Justitie.
BIJLAGE
BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT
van 18 december 2019
houdende verkiezing van de Europese Ombudsman
HET EUROPEES PARLEMENT,
gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 24, derde alinea, en artikel 228,
gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,
gezien zijn Besluit 94/262/EGKS, EG, Euratom van 9 maart 1994 inzake het Statuut van de Europese Ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt(3),
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 december 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1306/2013 wat de financiële discipline vanaf het begrotingsjaar 2021 betreft en van Verordening (EU) nr. 1307/2013 wat de flexbiliteit tussen de pijlers voor het kalenderjaar 2020 betreft (COM(2019)0580 – C9-0163/2019 – 2019/0253(COD))
– gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2019)0580),
– gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C9-0163/2019),
– gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– na raadpleging van het Europees Economisch en Sociaal Comité,
– gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 25 november 2019 om het standpunt van het Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien artikel 59 van zijn Reglement,
– gezien het advies van de Begrotingscommissie,
– gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A9‑0042/2019),
A. overwegende dat het om redenen van urgentie gerechtvaardigd is om tot stemming over te gaan vóór het verstrijken van de in artikel 6 van het Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid bedoelde termijn van acht weken;
1. stelt onderhavig standpunt in eerste lezing vast;
2. verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;
3. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 18 december 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2020/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1306/2013 wat de financiële discipline vanaf het begrotingsjaar 2021 betreft en van Verordening (EU) nr. 1307/2013 wat de flexibiliteit tussen de pijlers voor het kalenderjaar 2020 betreft
(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2020/127.)
De partnerschapsovereenkomst tussen de EU en Gambia inzake duurzame visserij en het bijbehorende uitvoeringsprotocol ***
114k
41k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 december 2019 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en de Republiek Gambia en van het protocol inzake de uitvoering van die partnerschapsovereenkomst (08974/2019 – C9-0106/2019 – 2019/0076(NLE))
– gezien het ontwerp van besluit van de Raad (08974/2019),
– gezien de ontwerppartnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en de Republiek Gambia (08984/2019),
– gezien het ontwerpprotocol tot uitvoering van de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en de Republiek Gambia (09949/2019),
– gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 43, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), en artikel 218, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C9-0106/2019),
– gezien artikel 105, leden 1 en 4, en artikel 114, lid 7, van zijn Reglement,
– gezien het advies van de Begrotingscommissie,
– gezien de aanbeveling van de Commissie visserij (A9-0026/2019),
1. hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst en van het protocol;
2. verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Gambia.
Werkzame stoffen, waaronder dimoxystrobin en mancozeb
154k
49k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 december 2019 over de ontwerpuitvoeringsverordening van de Commissie tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen benfluralin, dimoxystrobin, fluazinam, flutolanil, mancozeb, mecoprop-P, mepiquat, metiram, oxamyl en pyraclostrobin (D064213/02 – 2019/2925(RSP))
– gezien de ontwerpuitvoeringsverordening van de Commissie tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen benfluralin, dimoxystrobin, fluazinam, flutolanil, mancozeb, mecoprop-P, mepiquat, metiram, oxamyl en pyraclostrobin (D064213/02),
– gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad(1), en met name artikel 17, eerste alinea, en artikel 21,
– gezien Uitvoeringsverordening (EU) 2015/408 van de Commissie van 11 maart 2015 inzake uitvoering van artikel 80, lid 7, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot vaststelling van een lijst van stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen(2),
– gezien de artikelen 11 en 13 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(3),
– gezien zijn resolutie van 13 september 2018 over de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende gewasbeschermingsmiddelen(4),
– gezien artikel 112, leden 2 en 3, van zijn Reglement,
– gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,
A. overwegende dat dimoxystrobin op 1 oktober 2006 middels Richtlijn 2006/75/EG van de Commissie(5) in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG(6) van de Raad is opgenomen, en geacht wordt te zijn goedgekeurd krachtens Verordening (EG) nr. 1107/2009,
B. overwegende dat sinds 2013 een procedure loopt voor het verlengen van de goedkeuring voor dimoxystrobin onder Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 van de Commissie(7),
C. overwegende dat de geldigheidsduur voor de werkzame stof dimoxystrobin, die aanvankelijk op 30 september 2016 zou aflopen, reeds met 16 maanden is verlengd middels Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1136/2013 van de Commissie(8), vervolgens met een jaar middels Uitvoeringsverordening (EU) 2018/84 van de Commissie(9), nog eens met een jaar middels Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1796 van de Commissie(10), en nu nog eens met een jaar middels dit ontwerp van uitvoeringsverordening van de Commissie, waarmee de geldigheidsduur zou worden verlengd tot 31 januari 2021;
D. overwegende dat mancozeb op 1 juli 2006 middels Richtlijn 2005/72/EG van de Commissie(11) in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad is opgenomen, en geacht wordt te zijn goedgekeurd krachtens Verordening (EG) nr. 1107/2009;
E. overwegende dat sinds 2013 een procedure loopt voor het verlengen van de goedkeuring voor mancozeb onder Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 van de Commissie;
F. overwegende dat de geldigheidsduur voor de werkzame stof mancozeb, die aanvankelijk op 30 juni 2016 zou aflopen, reeds met 19 maanden is verlengd middels Uitvoeringsverordening (EU) nr. 762/2013 van de Commissie(12), vervolgens met een jaar middels Uitvoeringsverordening (EU) 2018/84 van de Commissie, nog eens met een jaar middels Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1796 van de Commissie, en nu nog eens met een jaar middels dit ontwerp van uitvoeringsverordening van de Commissie, waarmee de geldigheidsduur zou worden verlengd tot 31 januari 2021;
G. overwegende dat de Commissie nalaat de redenen voor de verlenging uit te leggen en alleen het volgende stelt: “Aangezien de beoordeling van die stoffen om redenen buiten de wil van de aanvragers is uitgesteld, zal de goedkeuring van die werkzame stoffen waarschijnlijk vervallen voordat een besluit over de verlenging ervan is genomen”;
H. overwegende dat Verordening (EG) nr. 1107/2009 tot doel heeft een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu te waarborgen, en tegelijkertijd het concurrentievermogen van de landbouw in de Unie te vrijwaren; overwegende dat de bescherming van kwetsbare bevolkingsgroepen zoals zwangere vrouwen, zuigelingen en kinderen bijzondere aandacht verdient;
I. overwegende dat het voorzorgsbeginsel moet worden toegepast, en dat in Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt bepaald dat gewasbeschermingsmiddelen uitsluitend stoffen mogen bevatten waarvan is aangetoond dat zij een duidelijk voordeel inhouden voor de teelt van planten en waarvan niet wordt verwacht dat zij een schadelijke uitwerking op de gezondheid van mens en dier of onaanvaardbare effecten voor het milieu hebben;
J. overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt bepaald dat met het oog op de veiligheid de goedkeuringsperiode voor werkzame stoffen in de tijd beperkt moet zijn; overwegende dat de goedkeuringsperiode in verhouding moet staan tot de mogelijke risico's die aan het gebruik van dergelijke stoffen verbonden zijn, maar dat deze evenredigheid hier duidelijk ontbreekt;
K. overwegende dat de Commissie en de lidstaten de mogelijkheid en de verantwoordelijkheid hebben om te handelen overeenkomstig het voorzorgsbeginsel wanneer de mogelijkheid van schadelijke effecten voor de gezondheid geïdentificeerd zijn maar er nog wetenschappelijke onzekerheid bestaat, in concreto door voorlopige risicobeheermaatregelen vast te stellen die noodzakelijk zijn om een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid te waarborgen;
L. overwegende, meer in het bijzonder, dat artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bepaalt dat de Commissie de goedkeuring van een werkzame stof te allen tijde opnieuw kan bekijken, met name wanneer zij in het licht van nieuwe wetenschappelijke en technische kennis meent dat er aanwijzingen zijn dat de stof niet langer voldoet aan de in artikel 4 bepaalde goedkeuringscriteria, en overwegende dat deze herziening kan leiden tot intrekking of wijziging van de goedkeuring;
Hormoonontregelende eigenschappen en toxisch voor de voortplanting categorie 1B
M. overwegende dat dimoxystrobin in 2015 middels Uitvoeringsverordening (EU) 2015/408 op de “lijst van stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen” is geplaatst omdat de acute referentiedosis (ARfD) voor deze werkzame stof significant lager is dan die voor de meeste goedgekeurde werkzame stoffen binnen hun groepen, en omdat het moet worden beschouwd als een stof met hormoonontregelende eigenschappen die schadelijk kunnen zijn voor de mens;
N. overwegende dat in punt 3.6.5 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt bepaald dat een werkzame stof slechts kan worden goedgekeurd wanneer hij niet wordt geacht hormoonontregelende eigenschappen te hebben die schadelijk kunnen zijn voor de mens, tenzij de blootstelling van mensen aan die werkzame stof, die beschermstof of die synergist in een gewasbeschermingsmiddel in realistische voorgestelde gebruiksomstandigheden te verwaarlozen is, dat wil zeggen dat het middel wordt gebruikt in gesloten systemen of in andere omstandigheden die contact met mensen uitsluiten en waarbij residuen van de werkzame stof, de beschermstof of de synergist in kwestie in levensmiddelen en diervoeders de overeenkomstig artikel 18, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad vastgestelde standaardwaarde niet overschrijden(13);
O. overwegende dat tijdens de 47e bijeenkomst van het risicobeoordelinsgcomité (RAC) op 27 februari 2019 besloten is mancozeb in te delen als toxisch voor de voortplanting categorie 1B;
P. overwegende dat in punt 3.6.4 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt bepaald dat een werkzame stof slechts kan worden goedgekeurd wanneer hij niet als giftig voor de voortplanting categorie 1B is ingedeeld, tenzij met bij de aanvraag gevoegde documenten wordt aangetoond dat een werkzame stof nodig is ter bestrijding van een op geen enkele andere manier, ook niet met niet-chemische methoden, te beheersen ernstig fytosanitair gevaar, in welk geval risicobeperkende maatregelen moeten worden genomen teneinde te waarborgen dat de blootstelling daaraan van de mens en het milieu wordt geminimaliseerd;
Q. overwegende dat blootstelling aan mancozeb in verband wordt gebracht met een verhoogd risico op de ziekte van Parkinson onder landbouwers en andere personen in plattelandsgebieden in Nederland en Frankrijk(14);
R. overwegende dat mancozeb een combinatie is van twee andere dithiocarbamaten, te weten maneb en zineb, waarvan het gebruik in de Unie niet meer toegestaan is vanwege de risico’s die zij met zich meebrengen voor mens en milieu;
S. overwegende dat mancozeb uitermate toxisch is voor in het water levende organismen, dat het vermoeden bestaat dat het schadelijk is voor de menselijke foetus en dat het allergische huidreacties kan veroorzaken;
T. overwegende dat het onaanvaardbaar is dat stoffen waarvan bekend is dat zij vallen onder de uitsluitingscriteria voor werkzame stoffen die mutageen, kankerverwekkend of giftig voor de voortplanting zijn of een hormoonontregelende werking hebben, die tot doel hebben de gezondheid van mensen en het milieu te beschermen, goedgekeurd blijven voor gebruik in de Unie, met alle risico’s van dien voor de volksgezondheid en het milieu;
U. overwegende dat aanvragers het in de werkmethoden van de Commissie ingebouwde automatisme van onmiddellijke verlenging van de geldigheidsperioden van werkzame stoffen in gevallen waarin de herziening van de risico’s nog niet afgerond is “gebruiken” door het herzieningsproces opzettelijk te vertragen middels het indienen van onvolledige gegevens en van verzoeken om meer afwijkingen en speciale voorwaarden, hetgeen onaanvaardbare risico’s voor het milieu en de menselijke gezondheid oplevert, aangezien de blootstelling aan de gevaarlijke stof gedurende die periode doorgaat;
V. overwegende dat het Parlement de Commissie en de lidstaten in zijn resolutie van 13 september 2018 over de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen heeft verzocht “ervoor te zorgen dat de procedurele verlenging van de geldigheidsperiode voor de duur van de procedure, overeenkomstig artikel 17 van de verordening, niet zal worden gebruikt voor werkzame stoffen die mutageen, kankerverwekkend en giftig voor de voortplanting zijn en dus opgenomen zijn in categorie 1A of 1B, of voor werkzame stoffen die hormoonontregelende eigenschappen hebben en schadelijk zijn voor mens of dier, zoals momenteel het geval is voor stoffen als flumioxazine, thiacloprid, chlorotoluron en dimoxystrobin”;
W. overwegende dat het Nederlandse parlement aangegeven heeft bezorgd te zijn over de verlengingen van de geldigheidsduur en ertoe heeft opgeroepen geen verlengingen meer toe te staan voor stoffen waarvan bekend is dat ze een significante bedreiging vormen voor de biodiversiteit, in het bijzonder bijen en hommels, of dat ze kankerverwekkend, mutageen, hormoonontregelend of giftig voor de voortplanting zijn(15);
X. overwegende dat de openbare raadpleging van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid op 28 april 2018 is afgesloten; overwegende dat het Nederlandse College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) op basis van de op dit moment beschikbare informatie van de risicobeoordeling van de Unie van oordeel is dat er voldoende gegevens voorhanden zijn om snel een besluit te nemen over het al dan niet verlenging van de geldigheidsduur voor mancozeb(16);
1. is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsverordening van de Commissie de in Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uitvoeringsbevoegdheden overschrijdt;
2. is van mening dat het ontwerp van uitvoeringsverordening van de Commissie het voorzorgsbeginsel niet eerbiedigt;
3. is van mening dat het besluit om de geldigheidsduur voor dimoxystrobin en mancozeb te verlengen niet in overeenstemming is met de veiligheidscriteria als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1107/2009, en niet stoelt op bewijs dat deze stoffen veilig kunnen worden gebruikt, noch op een bewezen hoogdringende noodzaak voor het gebruik van deze werkzame stoffen voor de voedselproductie in de Unie;
4. verzoekt de Commissie haar ontwerp van uitvoeringsverordening in te trekken en een nieuw ontwerp aan de commissie voor te leggen dat rekening houdt met het wetenschappelijk bewijs betreffende de schadelijke kenmerken van alle stoffen in kwestie, in het bijzonder dimoxystrobin en mancozeb;
5. verzoekt de Commissie tijdens de volgende vergadering van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders voorstellen voor te leggen houdende niet-verlenging van de goedkeuringsperiode voor de werkzame stoffen dimoxystrobin en mancozeb;
6. verzoekt de Commissie uitsluitend ontwerpen van uitvoeringsverordeningen ter verlenging van de goedkeuringsperiode van stoffen in te dienen als het gezien de huidige wetenschappelijke stand van zaken onwaarschijnlijk is dat de Commissie een voorstel houdende niet-verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof in kwestie zal indienen;
7. verzoekt de Commissie de goedkeuringen voor stoffen waarvan bewezen is of ten aanzien waarvan het redelijke vermoeden bestaat dat ze niet aan de veiligheidscriteria van Verordening (EG) nr. 1107/2009 voldoen, in te trekken;
8. verzoekt de lidstaten de goedkeuringen voor werkzame stoffen waarvoor zij de rapporterende lidstaat zijn naar behoren en tijdig te herzien, en ervoor te zorgen dat de huidige vertragingen zo snel mogelijk worden weggewerkt;
9. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.
Richtlijn 2006/75/EG van de Commissie van 11 september 2006 tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde dimoxystrobin op te nemen als werkzame stof (PB L 248 van 12.9.2006, blz. 3).
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 van de Commissie van 18 september 2012 tot vaststelling van de nodige bepalingen voor de uitvoering van de verlengingsprocedure voor werkzame stoffen, als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 252 van 19.9.2012, blz. 26).
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1136/2013 van de Commissie van 12 november 2013 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen clothianidin, dimoxystrobin, oxamyl en pethoxamid (PB L 302 van 13.11.2013, blz. 34).
Uitvoeringsverordening (EU) 2018/84 van de Commissie van 19 januari 2018 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen chloorpyrifos, chloorpyrifos-methyl, clothianidin, koperverbindingen, dimoxystrobin, mancozeb, mecoprop-P, metiram, oxamyl, pethoxamide, propiconazool, propineb, propyzamide, pyraclostrobine en zoxamide (PB L 16 van 20.1.2018, blz. 8).
Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1796 van de Commissie van 20 november 2018 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur van de goedkeuringen voor de werkzame stoffen amidosulfuron, bifenox, chloorpyrifos, chloorpyrifos-methyl, clofentezine, dicamba, difenoconazool, diflubenzuron, diflufenican, dimoxystrobin, fenoxaprop-P, fenpropidin, lenacil, mancozeb, mecoprop-P, metiram, nicosulfuron, oxamyl, picloram, pyraclostrobine, pyriproxyfen en tritosulfuron (PB L 294 van 21.11.2018, blz. 15).
Richtlijn 2005/72/EG van de Commissie van 21 oktober 2005 tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde chloorpyrifos, chloorpyrifos-methyl, mancozeb, maneb en metiram op te nemen als werkzame stof (PB L 279 van 22.10.2005, blz. 63).
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 762/2013 van de Commissie van 7 augustus 2013 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen chloorpyrifos, chloorpyrifos-methyl, mancozeb, maneb, MCPA, MCPB en metiram (PB L 213 van 8.8.2013, blz. 14).
Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1).
Afsluiting van de rekeningen van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) voor het begrotingsjaar 2017
117k
42k
Besluit van het Europees Parlement van 18 december 2019 over de afsluiting van de rekeningen van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken voor het begrotingsjaar 2017 (2019/2909(RSP))
– gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken voor het begrotingsjaar 2017,
– gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken voor het begrotingsjaar 2017, vergezeld van het antwoord van het Bureau(1),
– gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2017 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2019 betreffende de aan het Bureau te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2017 (05825/2019 – C8‑0098/2019),
– gezien zijn besluit van 26 maart 2019(3) tot uitstel van het kwijtingsbesluit voor het begrotingsjaar 2017, alsmede de antwoorden van de uitvoerend directeur van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken,
– gezien zijn besluit van 23 oktober 2019(4) tot weigering kwijting te verlenen aan de uitvoerend directeur van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken voor het begrotingsjaar 2017,
– gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
– gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name artikel 208,
– gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(6), en met name artikel 70,
– gezien Verordening (EU) nr. 439/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 tot oprichting van een Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken(7), en met name artikel 36,
– gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(8), en met name artikel 108,
– gezien Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715 van de Commissie van 18 december 2018 houdende de financiële kaderregeling van de bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen, bedoeld in artikel 70 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad(9), en met name artikel 105,
– gezien artikel 100 en bijlage V bij zijn Reglement,
1. hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken voor het begrotingsjaar 2017;
2. verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de uitvoerend directeur van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).
Openbare discriminatie en haatzaaiende uitlatingen ten aanzien van lgbti’s, onder meer wat "lgbti-vrije zones" betreft
155k
50k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 december 2019 over openbare discriminatie en haatzaaiende uitlatingen ten aanzien van LGBTI-personen, zoals LGBTI-vrije zones (2019/2933(RSP))
– gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens en andere mensenrechtenverdragen en -instrumenten van de VN, met name het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten die beide op 16 december 1966 door de Algemene Vergadering van de VN in New York zijn aangenomen,
– gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de bijbehorende jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM),
– gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: “het Handvest”),
– gezien de Conventie van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind (UNCRC),
– gezien de artikelen 2, 3, 8, 21 en 23 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),
– gezien artikel 207 en de titels IV en V van deel 3 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),
– gezien artikel 45 van het Handvest,
– gezien de EU-richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de uitoefening van de mensenrechten door lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI-personen), die de Raad in 2013 heeft aangenomen,
– gezien de beginselen van Yogyakarta (betreffende de toepassing van het internationaal humanitair recht met betrekking tot seksuele gerichtheid en genderidentiteit), die zijn aangenomen in november 2006 en de tien aanvullende beginselen daarbij (YP+10, aanvullende beginselen en staatsverplichtingen betreffende de toepassing van het internationaal humanitair recht met betrekking tot seksuele gerichtheid, genderidentiteit, genderexpressie en geslachtskenmerken, die zijn aangenomen op 10 november 2017,
– gezien Aanbeveling CM/Rec(2010)5 van het Comité van ministers van de Raad van Europa van 31 maart 2010 inzake maatregelen ter bestrijding van discriminatie wegens seksuele gerichtheid of genderidentiteit,
– gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten(1),
– gezien de resolutie van het Europees Parlement van 4 februari 2014 over de EU-routekaart tegen homofobie en discriminatie wegens seksuele gerichtheid of genderidentiteit(2),
– gezien zijn resolutie van 14 februari 2019 over de toekomst van de lijst van acties ter bevordering van de gelijkheid van LGBTI-personen (2019-2024)(3),
– gezien zijn resolutie van 16 januari 2019 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie in 2017(4),
– gezien zijn resolutie van 26 november 2019 over de rechten van het kind ter gelegenheid van de 30e verjaardag van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind(5),
– gezien zijn resolutie van 13 februari 2019 over verslechteringen op het gebied van de rechten van de vrouw en gendergelijkheid in de EU(6),
– gezien zijn resolutie van 14 november 2019 over de criminalisering van seksuele voorlichting in Polen(7),
– gezien zijn resolutie van 17 april 2018 over gendergelijkheid in de mediasector in de EU(8),
– gezien zijn resolutie van 17 september 2009 over de Litouwse wet op de bescherming van minderjarigen tegen de schadelijke gevolgen van openbare informatie(9),
– gezien de resultaten van de enquête over de situatie van LGBT-personen in de EU, uitgevoerd door het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) in 2012,
– gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,
A. overwegende dat het recht op gelijke behandeling en non-discriminatie een grondrecht is dat verankerd is in de Verdragen en in het Handvest en dat volledig geëerbiedigd moet worden;
B. overwegende dat alle lidstaten uit hoofde van het internationaal recht en de EU-Verdragen de taak en verplichting hebben om erop toe te zien dat de grondrechten worden geëerbiedigd, gewaarborgd, beschermd en gehandhaafd;
C. overwegende dat uit onderzoek, enquêtes en verslagen(10) blijkt dat er in de EU steeds meer sprake is van openlijke discriminatie en haatzaaiende uitlatingen ten aanzien van LGBTI-personen; overwegende dat het aantal door LGBTI-fobie ingegeven haatmisdrijven in de hele EU stijgt; overwegende dat deze aanvallen in strijd zijn met de grondrechten van LGBTI-personen en dat de reacties van overheidsinstanties maar al te vaak tekortschieten;
D. overwegende dat schendingen van de grondrechten van LGBTI-personen een ernstige bedreiging vormen voor de eerbiediging van de grondrechten in de EU en vaak gepaard gaan met aanvallen op de rechten van vrouwen en de rechten van minderheden;
E. overwegende dat haatzaaiende uitlatingen tegen LGBTI-personen door overheidsinstanties een voedingsbodem vormen voor het legitimeren en creëren van de voorwaarden voor vervolging, geweld en discriminatie van LGBTI-personen in de hele samenleving;
F. overwegende dat de veiligheid van de LGBTI-gemeenschap niet losstaat van de veiligheid van alle andere mensen in Europa, en dat de uitholling van die veiligheid een veeg teken is voor de uitholling van alle grondrechten; overwegende dat xenofobe retoriek mede heeft geleid tot een steeds onveiligere en minder houdbare omgeving voor organisaties en mensenrechtenverdedigers die opkomen voor de rechten van LGBTI-personen;
G. overwegende dat er in de EU en daarbuiten weerstand bestaat tegen gendergelijkheid, die rechtstreeks gericht is tegen en gevolgen heeft voor LGBTI-personen en vrouwen in het algemeen; overwegende dat deze weerstand is aangewakkerd door het populisme en rechtsextremisme;
H. overwegende dat stigmatisering vanwege feitelijke of vermeende seksuele gerichtheid, genderidentiteit of geslachtskenmerken in de hele EU hardnekkig is;
I. overwegende dat er een ernstig gebrek is aan systematische monitoring, documentatie en gegevensverzameling met betrekking tot haat en geweld tegen LGBTI-personen;
J. overwegende dat er van veel LGBTI-fobe misdrijven helaas geen aangifte wordt gedaan; overwegende dat het doen van aangifte het risico op en de angst voor de onthulling van iemands seksuele gerichtheid, genderidentiteit, geslachtskenmerken en genderexpressie met zich meebrengt;
K. overwegende dat er in de overgrote meerderheid van de lidstaten wettelijke maatregelen tegen discriminatie en geweld zijn getroffen; overwegende dat de uitvoering ervan echter nog steeds gebrekkig is, want LGBTI-personen blijven een doelwit voor haatmisdrijven, haatzaaiende uitlatingen en discriminatie, vooral op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs, werkgelegenheid en huisvesting;
L. overwegende dat veel aanvallen van overheidsinstanties op LGBTI-personen plaatsvinden in onderwijsinstellingen en scholen; overwegende dat dit vooral schadelijk is voor jonge LGBTI-personen;
M. overwegende dat seksuele gerichtheid en genderidentiteit vallen onder het recht op privacy van een individu, dat wordt gewaarborgd door de internationale, Europese en nationale mensenrechtenwetgeving, en overwegende dat gelijkheid en non-discriminatie door de overheid moeten worden bevorderd(11);
N. overwegende dat de vrijheid van meningsuiting zowel offline als online moet worden gegarandeerd voor de media, culturele organisaties, niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) en personen, vooral gezien de zorgwekkende tendens dat LGBTI-inhoud op sociale netwerken verwijderd of verboden wordt;
O. overwegende dat discriminatie en geweld tegen LGBTI-personen verschillende vormen heeft aangenomen, zoals recente voorbeelden laten zien, waaronder homofobe verklaringen in de campagne voor een referendum over de verenging van de definitie van de term “gezin” in Roemenië, aanvallen op ontmoetingscentra van LGBTI-personen in verschillende lidstaten zoals Hongarije en Slovenië, homofobe verklaringen en haatzaaiende uitlatingen over LGBTI-personen, zoals onlangs het geval was in Estland, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, Hongarije en Polen, met name in de context van verkiezingen, en wettelijke instrumenten die kunnen worden gehanteerd om de media, cultuur, het onderwijs en de toegang tot andere vormen van inhoud te beperken op een wijze die de vrijheid van meningsuiting ten aanzien van LGBTI-kwesties overmatig beperkt, zoals in Litouwen en Letland;
P. overwegende dat er sinds begin 2019 in Polen meer dan tachtig gevallen zijn geweest waarin regio’s, districten of gemeenten resoluties hebben aangenomen waarbij ze verklaren dat ze gevrijwaard zijn van de zogenaamde “LGBT-ideologie”, of “regionale handvesten inzake rechten van gezinnen” of belangrijke bepalingen van dergelijke handvesten hebben aangenomen, waarin met name eenoudergezinnen en LGBTI-gezinnen worden gediscrimineerd; overwegende dat in deze resoluties lokale overheden worden oproepen af te zien van acties om de tolerantie voor LGBTI-personen aan te moedigen, geen financiële steun te verlenen aan ngo’s die zich inzetten voor de bevordering van gelijke rechten, geen voorlichting te geven over de bestrijding van discriminatie of op enige andere wijze LGBTI-personen te ondersteunen; overwegende dat de oprichting van LGBTI-vrije zones, ook al gaat het niet om de invoering van een fysieke grens, een uiterst discriminerende maatregel is die het vrije verkeer van EU-burgers belemmert; overwegende dat deze resoluties deel uitmaken van een bredere context van aanvallen op de LGBTI-gemeenschap in Polen, waaronder toenemende haatzaaiende uitlatingen van openbare en verkozen overheidsfunctionarissen en publieke media, alsook het aanvallen en verbieden van pride-optochten en bewustmakingsprogramma’s en acties zoals Rainbow Friday;
Q. overwegende dat volgens de LGBT-enquête van het FRA(12), 32 % van de respondenten zich gediscrimineerd voelde op gebieden buiten de arbeidsmarkt, zoals onderwijs; overwegende dat het risico op zelfmoord bij LGBTI-kinderen hoger is dan onder niet-LGBTI-kinderen; overwegende dat inclusief onderwijs van essentieel belang is voor het creëren van veilige schoolomgevingen waar alle kinderen kunnen gedijen, ook kinderen die tot minderheden behoren, zoals LGBTI-kinderen en kinderen uit LGBTI-gezinnen; overwegende dat de voornaamste slachtoffers van aanvallen op LGBTI-rechten kinderen en jongeren in plattelandsgebieden en kleinere stedelijke centra zijn die bijzonder vatbaar zijn voor geweld, vaak te maken hebben met afwijzing en onzekerheid en daarom speciale ondersteuning en begeleiding nodig hebben van nationale en lokale overheidsinstellingen of ngo’s;
R. overwegende dat vanwege het gebrek aan antidiscriminatiewetgeving in veel lidstaten de meest achtergestelde bevolkingsgroepen het grootste gevaar lopen met discriminatie en geweld in aanraking te komen; overwegende dat de horizontale richtlijn inzake non-discriminatie dit gebrek aan bescherming zou compenseren, maar dat dit proces al elf jaar muurvast zit in de Raad; overwegende dat er een leemte in de wetgeving is om mensen te beschermen tegen misdrijven die gepleegd zijn vanwege vooroordelen over seksuele gerichtheid en genderidentiteit in de EU en vele lidstaten;
S. overwegende dat mensen bloot kunnen staan aan meervoudige en intersectionele discriminatie; overwegende dat bij beleid ter bestrijding van één discriminatiegrond aandacht moet worden besteed aan de situatie van specifieke groepen die het slachtoffer kunnen zijn van meervoudige discriminatie op gronden zoals leeftijd, ras, godsdienst, seksuele gerichtheid, geslacht of handicap;
T. overwegende dat LGBTI-personen wereldwijd worden geconfronteerd met discriminatie en geweld;
1. wijst erop dat LGBTI-rechten grondrechten zijn en dat de EU-instellingen en de lidstaten derhalve de plicht hebben deze rechten te handhaven en te beschermen in overeenstemming met de Verdragen en het Handvest, alsook met het internationaal recht;
2. uit zijn diepe bezorgdheid over het toenemende aantal aanvallen op de LGBTI-gemeenschap in de EU, dat afkomstig is van staten, overheidsfunctionarissen, nationale, regionale en lokale overheden en politici;
3. veroordeelt met klem elke vorm van discriminatie van LGBTI-personen en hun grondrechten door overheidsinstanties, met inbegrip van haatzaaiende uitlatingen van verkozen overheidsfunctionarissen in het kader van verkiezingen, alsook de zones in Polen die zichzelf onlangs hebben uitgeroepen als “zones vrij van LGBT-ideologie”, en roept ook de Commissie op deze vormen van openlijke discriminatie sterk te veroordelen;
4. betreurt het dat LGBTI-personen gepest en geïntimideerd worden, al vanaf hun schooltijd, en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan concrete maatregelen te nemen om een einde te maken aan de discriminatie van LGBTI-personen, met als mogelijk gevolg dat zij worden gepest, mishandeld of buitengesloten, met name in het onderwijs; is er sterk tegen gekant dat scholen in sommige lidstaten door de overheid worden gedwarsboomd om hun rol te vervullen bij het bevorderen van de grondrechten en de bescherming van LGBTI-personen, en wijst erop dat school een veilige plek moet zijn waar de grondrechten van alle kinderen worden gehandhaafd en beschermd; benadrukt het belang van gezondheids- en seksuele voorlichting, met name voor meisjes en jonge LGBTI-personen, die zeer onder onrechtvaardige gendernormen te lijden hebben; benadrukt dat jongeren bij dergelijke voorlichting ook moeten leren over relaties op basis van gendergelijkheid, toestemming en wederzijds respect, teneinde genderstereotypen, LGBTI-fobie en gendergerelateerd geweld te voorkomen en tegen te gaan;
5. wijst erop dat LGBTI-fobie wijdverbreid blijft bij sportevenementen en dat er een gebrek is aan maatregelen om hiertegen op te treden; verzoekt de lidstaten bijzondere aandacht te besteden aan de manier waarop homofobie in de sport van invloed is op jonge LGBTI-personen teneinde de inclusie te verbeteren en de bewustwording te vergroten;
6. verzoekt de Commissie concrete maatregelen te nemen om het vrije verkeer van alle gezinnen, zo ook van LGBTI-gezinnen, te waarborgen, overeenkomstig het arrest van het Hof van Justitie van de EU in de zaak Coman van juni 2018(13); verzoekt de lidstaten wetgeving in te voeren voor de gelijke erkenning van huwelijken en partnerschappen van personen van hetzelfde geslacht om het recht op een privé- en gezinsleven zonder discriminatie volledig te eerbiedigen;
7. is bezorgd over de toename van racisme en vreemdelingenhaat; verzoekt de Commissie en de lidstaten de werkzaamheden op het gebied van de uitwisseling van beproefde praktijken te intensiveren en hun samenwerking te versterken om racisme, vreemdelingenhaat, homofobie, transfobie en andere vormen van onverdraagzaamheid te bestrijden, met volledige betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en input van vertegenwoordigers van betrokken partijen, zoals het FRA;
8. veroordeelt de dagelijks in de EU voorkomende incidenten in verband met haatmisdrijven en haatzaaiende uitlatingen, zowel offline als online, die zijn ingegeven door racisme, vreemdelingenhaat of religieuze onverdraagzaamheid of vooroordelen jegens personen met een handicap, seksuele gerichtheid, genderidentiteit, geslachtskenmerken of minderheidsstatus, evenals de tendens dat LGBTI-inhoud op sociale netwerken verwijderd of verboden wordt; betreurt de toename van haatzaaiende uitlatingen vanuit bepaalde instellingen, politieke partijen en media; verzoekt de EU het goede voorbeeld te geven door zich te verzetten tegen haatzaaiende uitlatingen binnen haar instellingen; is bezorgd over de steeds frequenter voorkomende haatzaaiende uitlatingen op het internet en beveelt de lidstaten aan eenvoudige procedures in het leven te roepen aan de hand waarvan burgers haatdragende inhoud online kunnen melden;
9. uit zijn bezorgdheid over het feit dat slachtoffers van haatmisdrijven vaak geen aangifte doen vanwege ontoereikende waarborgen en dat de autoriteiten nalaten om haatmisdrijven in de lidstaten naar behoren te onderzoeken en de daders veroordeeld te krijgen; verzoekt de lidstaten instrumenten en mechanismen te ontwikkelen en te verspreiden voor het rapporteren van haatmisdrijven en haatzaaiende taal en erop toe te zien dat elk vermeend geval van haatmisdrijf of haatzaaiende taal doeltreffend wordt onderzocht, vervolgd en berecht;
10. verzoekt de Commissie om ondersteuning van opleidingsprogramma’s voor rechtshandhavings- en gerechtelijke instanties, alsook voor de betrokken EU-agentschappen, met het oog op het voorkomen en aanpakken van discriminerende praktijken en haatmisdrijven;
11. onderkent dat de volle omvang van ongelijkheid in de EU nog steeds niet bekend is vanwege het gebrek aan door de lidstaten verzamelde vergelijkbare en uitgesplitste gegevens over gelijkheid; is van mening dat de verzameling van dergelijke gegevens door de lidstaten essentieel is voor het vaststellen van zinvol beleid ter uitvoering van de gelijkheidswetgeving van de EU; verzoekt de Commissie en de Raad onder ogen te zien dat er betrouwbare en vergelijkbare gegevens over gelijkheid nodig zijn om discriminatie te kunnen meten, uitgesplitst naar discriminatiegrond, ter onderbouwing van de beleidsvorming; verzoekt beide instellingen samenhangende beginselen voor het verzamelen van gegevens over gelijkheid vast te stellen op basis van zelfidentificatie, EU-gegevensbeschermingsnormen en raadpleging van de relevante gemeenschappen;
12. veroordeelt elke vorm van discriminatie en geweld op grond van seksuele gerichtheid of genderidentiteit of geslachtskenmerken; spoort de Commissie aan een agenda op te stellen die, met inachtneming van de bevoegdheden van de lidstaten, gelijke rechten en kansen voor alle burgers garandeert, en toe te zien op een goede omzetting en tenuitvoerlegging van EU-wetgeving met betrekking tot LGBTI-personen; is in dit verband ingenomen met de lijst van maatregelen die de Commissie heeft opgesteld om de gelijkheid van LGBTI-personen te bevorderen, zoals haar communicatiecampagne om stereotypering te bestrijden en de sociale aanvaarding van LGBTI-personen te verbeteren; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om nauw samen te werken met maatschappelijke organisaties die zich inzetten voor de rechten van LGBTI-personen; verzoekt de Commissie toereikende middelen beschikbaar te stellen ter ondersteuning van dergelijke organisaties die op nationaal en lokaal niveau actief zijn, met name via het programma Rechten en waarden; merkt op dat uit veldwerkonderzoek van het FRA blijkt dat ambtenaren de EU-wetgeving en het EU-beleid zien als belangrijke drijvende kracht achter de nationale inspanningen om de gelijkheid van LGBTI-personen te bevorderen;
13. wijst op de jurisprudentie van het HvJ-EU met betrekking tot de rechten van LGBTI-personen; verzoekt de Commissie en de lidstaten optimale werkmethoden uit te wisselen met betrekking tot de bescherming van de grondrechten, en spoort de lidstaten aan LGBTI-personen volledig te informeren over hun rechten;
14. dringt nogmaals aan op een alomvattend, permanent en objectief EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, waaronder ook de bescherming van LGBTI-rechten valt; onderstreept dat een dergelijk mechanisme nu harder nodig is dan ooit; wijst nogmaals op de noodzaak van een onpartijdige en regelmatige beoordeling van de situatie ten aanzien van de rechtsstaat, de democratie en de grondrechten in alle lidstaten, en verzoekt de Commissie toezicht te houden op schendingen van de grondrechten in het kader van het aangekondigde toetsingsproces voor de rechtsstaat;
15. verzoekt de Commissie en de Raad alle tot hun beschikking staande instrumenten en procedures in te zetten om toe te zien op de volledige en correcte toepassing van de beginselen en waarden van het Verdrag, zoals inbreukprocedures, begrotingsprocedures, het rechtsstaatmechanisme en de procedure van artikel 7, waaronder de lopende procedures;
16. verzoekt de Commissie te beoordelen of de inrichting van LGBTI-vrije zones indruist tegen de vrijheid van verkeer en verblijf in de EU, in strijd met artikel 3, lid 2, VEU, artikel 21 VWEU, de titels IV en V van deel 3 van het VWEU en artikel 45 van het Handvest; verzoekt de Commissie te beoordelen of Polen heeft verzuimd een verplichting uit hoofde van de Verdragen na te komen en of het land overeenkomstig artikel 258 VWEU een met redenen omkleed advies over deze kwestie moet uitbrengen;
17. verzoekt de Commissie toezicht te houden op het gebruik van alle EU-financieringsstromen, met inbegrip van de structuur- en investeringsfondsen van de EU, en regelmatig overleg te voeren met nationale, regionale en lokale autoriteiten om de belanghebbenden te herinneren aan hun verbintenis inzake non-discriminatie en aan het feit dat dergelijke fondsen in geen geval mogen worden gebruikt voor discriminerende doeleinden; verzoekt de Commissie concrete maatregelen te nemen voor de aanpak van duidelijke en rechtstreekse inbreuken op antidiscriminatievoorschriften, met name het verbod op de opdracht tot discrimineren uit hoofde van Richtlijn 2000/78/EG, door gemeenteraden die regelgeving vaststellen om LGBTI-rechten te ondermijnen;
18. herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een Europese LGBTI-strategie vast te stellen waarin rekening wordt gehouden met eerdere verzoeken van het Parlement en waarbij de continuïteit en een krachtige follow-up van de werkzaamheden van de vorige Commissie met de lijst van acties ter bevordering van de gelijkheid van LGBTI-personen wordt gewaarborgd;
19. verzoekt de Commissie prioriteit te verlenen aan de doeltreffende waarborging van gelijke en sterke rechtsbescherming voor iedereen op alle gronden die zijn opgenomen in artikel 19 van het VWEU; verzoekt de Raad de onderhandelingen over de horizontale richtlijn inzake non-discriminatie onmiddellijk uit het slop te halen en af te ronden, en is ingenomen met de nieuwe toezeggingen van de Commissie op dit gebied;
20. verzoekt de Commissie samen met de lidstaten te blijven werken aan het verbeteren van het onderzoek naar haatmisdrijven, zoals misdrijven die worden ingegeven door LGBTI-fobie, en aan steun voor slachtoffers; merkt op dat sommige lidstaten de bescherming van slachtoffers van discriminatie op andere gronden, zoals seksuele gerichtheid, genderidentiteit of geslachtskenmerken, hebben uitgebreid bij de tenuitvoerlegging van het EU-kaderbesluit over de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht, en moedigt dergelijke uitbreidingen aan; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om op basis van een effectbeoordeling het huidige kaderbesluit zodanig te herzien dat daarin ook aanzetting tot haat wegens geslacht, seksuele gerichtheid, genderidentiteit of geslachtskenmerken worden opgenomen;
21. verzoekt het Comité van de Regio’s, als vertegenwoordiger van de lokale en regionale overheden van de EU, om in het kader van zijn bevoegdheden te overwegen actie te ondernemen naar aanleiding van de inrichting van zones die gevrijwaard zijn van zogenaamde “LGBT-ideologieën” in Polen;
22. staat achter het werk van de EU bij het verdedigen en bevorderen van de mensenrechten in haar externe optreden, met inbegrip van LGBTI-rechten; dringt erop aan dat het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie dat binnenkort wordt aangenomen de krachtige toezeggingen gestand doet en zich in de komende vijf jaar zal richten op LGBTI-vraagstukken, zoals dat ook al het geval was in de periode 2015-2019;
23. verzoekt alle lidstaten hun plicht na te komen om de grondrechten van alle mensen, dus ook LGBTI-personen, zonder uitzondering te beschermen op nationaal en lokaal niveau; verzoekt de lidstaten positieve maatregelen te nemen om de maatschappelijke acceptatie van de LGBTI-gemeenschap te vergroten;
24. roept Polen op de discriminatie van LGBTI-personen, ook wanneer deze afkomstig is van lokale overheden, sterk te veroordelen en resoluties waarin LGBTI-rechten worden aangevallen, met inbegrip van plaatselijke bepalingen tegen de “LGBT-ideologie”, in te trekken, in overeenstemming met zijn nationale wetgeving en zijn verplichtingen uit hoofde van het EU-recht en het internationaal recht;
25. veroordeelt het misbruik van de wetten inzake informatie waarover minderjarigen beschikken, vooral op het gebied van onderwijs en de media, teneinde LGBTI-gerelateerde inhoud en materialen te censureren, in het bijzonder artikel 4, lid 2, punt 16, van de wet op de bescherming van minderjarigen tegen de schadelijke effecten van openbare informatie in Litouwen en artikel 10, lid 1, van de onderwijswet in Letland; verzoekt de lidstaten dergelijke wetgeving zodanig te wijzigen dat deze volledig voldoet aan de grondrechten die verankerd zijn in het EU- en internationaal recht; verzoekt de Commissie al het nodige te doen om toe te zien op de naleving daarvan;
26. doet een beroep op alle lidstaten om toezicht te houden op haatzaaiende uitlatingen van overheidsinstanties en verkozen overheidsfunctionarissen, alsook bij lokale, regionale en nationale verkiezingen, en om daar krachtige en concrete maatregelen en sancties tegen te nemen;
27. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de regeringen en de parlementen van de in deze resolutie genoemde lidstaten, de Raad, de Commissie en het Comité van de Regio’s.
Verslag over de grondrechten, FRA, 2019, https://fra.europa.eu/sites/default/files/fra_uploads/fra-2019-fundamental-rights-report-2019_en.pdf; Enquête over de situatie van LGBT-personen in de EU, FRA; Verslag Rainbow Europe 2019, ILGA-Europe, https://www.ilga-europe.org/rainboweurope/2019
EHRM, zaak S. en Marper / Verenigd Koninkrijk, 4 december 2008 (verzoekschriften nrs. 30562/04 en 30566/04), punt 66, https://hudoc.echr.coe.int/eng#{“itemid”:[“001-90051”]}; Conclusie van advocaat-generaal Sharpston, 17 juli 2014 in gevoegde zaken C-148/13, C-149/13 en C-150/13, punten 38 en 39, http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=%2522gender%2Bidentity%2522&docid=155164&pageIndex=0&doclang=en&mode=req&dir=&occ=first&part=1&cid=4735298#ctx1
FRA-enquête over de situatie van LGBT-personen in de EU, samenvatting van de resultaten, https://fra.europa.eu/en/publications-and-resources/infographics/eu-lgbt-survey
Eerlijke belastingheffing in een gedigitaliseerde en geglobaliseerde economie — BEPS 2.0
179k
58k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 december 2019 over eerlijke belastingheffing in een gedigitaliseerde en gemondialiseerde economie: BEPS 2.0 (2019/2901(RSP))
– gezien de artikelen 4 en 13 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),
– gezien de artikelen 107, 108, 113, 115 en 116 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),
– gezien het BEPS-actieplan van de OESO van oktober 2015, en in het bijzonder actie 1,
– gezien het OESO-werkprogramma van 29 mei 2019 om een consensusoplossing te vinden voor de fiscale uitdagingen die de digitalisering van de economie met zich meebrengt,
– gezien de openbareraadplegingsdocumenten van de OESO van 9 oktober 2019, respectievelijk 8 november 2019, getiteld “Secretariat Proposal for a ‘Unified Approach’ under Pillar One” en “Global Anti-Base Erosion Proposal (GloBE) – Pillar Two” (voorstellen van het OESO-secretariaat),
– gezien de resolutie van de commissie TAXE van 25 november 2015 over tax rulings en andere maatregelen van gelijke aard of met vergelijkbaar effect(1), de resolutie van de commissie TAX2van 6 juli 2016 over tax rulings en andere maatregelen van gelijke aard of met vergelijkbaar effect(2), de aanbeveling van de PANA-commissie van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie naar aanleiding van het onderzoek naar witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking(3), en de resolutie van de commissie TAX3 van 26 maart 2019 over financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking(4),
– gezien zijn resolutie van 16 december 2015 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende meer transparantie, coördinatie en convergentie van het vennootschapsbelastingbeleid in de Unie(5),
– gezien de follow‑up van de Commissie van elk van de bovengenoemde resoluties van het Parlement(6),
– gezien de resultaten van verschillende G7‑, G8‑, en G20‑topontmoetingen over internationale belastingaangelegenheden,
– gezien het beleidsdocument getiteld “Corporate Taxation in the Global Economy” van het Internationaal Monetair Fonds(7),
– gezien de talrijke onthullingen door onderzoeksjournalisten, zoals de LuxLeaks, de Panama Papers, de Paradise Papers en, recenter, de cum‑ex-schandalen, evenals de witwaszaken waar in het bijzonder banken in Denemarken, Estland, Duitsland, Letland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk bij betrokken zijn,
– gezien zijn studie getiteld “Impact of Digitalisation on International Tax Matters”: Challenges and Remedies’(8),
– gezien de studies van de Commissie naar indicatoren voor agressieve belastingplanning(9),
– gezien het door de commissie TAX3 in haar 34 hoorzittingen met experts, de uitwisselingen van standpunten met commissarissen en ministers, en tijdens de bezoeken aan de Verenigde Staten, Letland, het eiland Man, Estland en Denemarken verzamelde bewijs,
– gezien het gedurende deze zittingsperiode geïntroduceerde gemoderniseerde en robuuste kader voor vennootschapsbelasting, in het bijzonder de eerste en de tweede richtlijn bestrijding belastingontwijking (ATAD I(10) and ATAD II(11)),
– gezien de voorstellen van de Commissie, in afwachting van goedkeuring, in het bijzonder die voor een gemeenschappelijke (geconsolideerde) heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (C(C)CTB)(12), het digitale belastingpakket(13) en de openbare rapportage per land (CBCR)(14), alsmede het standpunt van het Parlement over deze voorstellen,
– gezien de resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van 1 december 1997 over een gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen(15), alsmede de regelmatige verslagen van de groep Gedragscode (belastingregeling voor ondernemingen) aan de Raad ECOFIN,
– gezien de mededeling van de Commissie van 21 maart 2018 over de nieuwe eisen tegen belastingontwijking in de EU-wetgeving betreffende met name financiering en investeringen (C(2018)1756),
– gezien de onderzoeken naar en de besluiten van de Commissie inzake staatssteun(16),
– gezien de mededeling van de Commissie van 28 januari 2016 over een externe strategie voor effectieve belastingheffing (COM(2016)0024), waarin de Commissie de EU oproept "het goede voorbeeld te geven",
– gezien de conclusies van de Raad van 5 december 2017 betreffende de EU-lijst van jurisdicties die niet coöperatief zijn op belastinggebied,
– gezien de “State of Play” van het voorzitterschap van 28 oktober 2019 over digitale belastingen,
– gezien zijn resolutie van 8 juli 2015 inzake belastingontwijking en belastingontduiking als uitdagingen voor bestuur, sociale bescherming en ontwikkeling in ontwikkelingslanden(17),
– gezien de mededeling van de Commissie van 15 januari 2019 getiteld "Naar een meer efficiënte en democratische besluitvorming in het fiscale beleid van de EU" (COM(2019)0008),
– gezien de Mission Letters en de hoorzittingen met de uitvoerend vicevoorzitter voor “A Europe fit for the Digital Age”, de uitvoerend vicevoorzitter voor “An Economy that Works for People”, en de commissaris belast met economie en monetaire zaken en de euro(18),
– gezien de vraag aan de Commissie over eerlijke belastingheffing in een gedigitaliseerde en gemondialiseerde economie: BEPS 2.0 (O‑000040/2019 – B9‑0060/2019),
– gezien artikel 136, lid 5, en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,
A. overwegende dat de huidige internationale vennootschapsbelastingregels, die dateren van het begin van de 20e eeuw, niet altijd voldoen en moeten worden gemoderniseerd, aangezien ze niet toegesneden zijn op de uitdagingen van de digitale economie, waardoor landen unilaterale maatregelen gaan nemen om aan die uitdagingen tegemoet te komen;
B. overwegende dat na de financiële crisis van 2008‑2009 en een reeks onthullingen van journalisten en organisaties van het maatschappelijk middenveld over praktijken op het gebied van belastingontduiking, agressieve fiscale planning, belastingontwijking en witwassen, de G20‑landen overeengekomen zijn deze kwesties op OESO-niveau te behandelen in het kader van het project inzake grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS), dat tot de opstelling van het BEPS-actieplan heeft geleid; overwegende dat niet alle landen de BEPS-regels met dezelfde mate van striktheid en toegewijdheid toepassen;
C. overwegende dat in het kader van het BEPS-actieplan brede consensus is bereikt over een groot aantal aspecten van de bestrijding van belastingontduiking, agressieve fiscale planning en belastingontwijking; overwegende dat er evenwel niet tot overeenstemming is gekomen over het aanpakken van de belastinguitdagingen naar aanleiding van de digitalisering van de economie, hetgeen heeft geresulteerd in een afzonderlijk eindverslag 2015 over actie 1 van BEPS;
D. overwegende dat het Europees Parlement, in zijn TAXE‑, TAX2‑, TAX3‑ en PANA‑resoluties, alsook in zijn advies inzake een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting, herhaaldelijk op hervorming van het internationale vennootschapsbelastingsysteem heeft aangedrongen om belastingontduiking en belastingontwijking aan te pakken, alsmede om in te spelen op de uitdagingen op het gebied van het belasten van de digitale economie, én de Commissie en de lidstaten heeft verzocht tot overeenstemming te komen over een gemeenschappelijk Europees standpunt op het niveau van de OESO/G20, of te handelen op het niveau van de Unie indien een internationaal akkoord niet tot de mogelijkheden behoort;
E. overwegende dat de Commissie in 2018, tijdens de lopende onderhandelingen gericht op het bereiken van een internationaal akkoord, twee voorstellen heeft gepresenteerd betreffende het belasten van de digitale economie; overwegende dat het Europees Parlement deze voorstellen steunde, maar dat zij in de Raad niet zijn goedgekeurd als gevolg van het verzet van een klein aantal lidstaten, waardoor geen unanieme overeenstemming kon worden bereikt; een kortetermijnoplossing houdende de invoering van een belasting op digitale diensten (DST), en een langetermijnoplossing met definiëring van ‘aanmerkelijke digitale aanwezigheid’ (SDP) als nexus voor de vennootschapsbelasting, ter vervanging van de DST;
F. overwegende dat het Inclusive Framework (IF) inzake BEPS van de OESO/G20, in concreto middels zijn taskforce Digitale Economie, op basis van een in maart 2017 door de ministers van Financiën van de G20 geformuleerd mandaat, in maart 2018 een interimrapport heeft gepresenteerd getiteld “Tax Challenges Arising from Digitalisation”;
G. overwegende dat het IF in mei 2019 een werkprogramma heeft vastgesteld om tot een consensus te komen, en dat de G20 deze heeft bekrachtigd, met als doel om voor het eind van 2020 tot een akkoord te komen;
H. overwegende dat het IF voorgesteld heeft de voorstellen van de leden voor het aanpakken van de uitdagingen van de digitalisering in twee pijlers te groeperen: pijler 1 betreft de verdeling van belastingrechten middels nieuwe winsttoerekenings- en nexusregels, en pijler 2 betreft de resterende BEPS-kwesties, inclusief de introductie van maatregelen om een minimumniveau van belastingen te waarborgen;
I. overwegende dat het OESO-secretariaat op 9 oktober 2019 een openbare raadpleging heeft gestart op basis van zijn voorstel voor een ‘uniforme benadering’, met als doel het bereiken van consensus over de drie alternatieven als bedoeld in pijler 1; overwegende dat de G20(19) op 18 oktober 2019 zijn instemming kenbaar heeft gemaakt met de inspanningen van het OESO-secretariaat voor het voorstel voor ‘één benadering’ onder pijler 1, maar het voorstel niet officieel heeft goedgekeurd; overwegende dat het OESO-secretariaat op 8 november 2019 een openbare raadpleging heeft gestart over het GloBE-voorstel onder pijler 2;
J. overwegende dat een billijk en efficiënt belastingsysteem cruciaal is voor het bestrijden van ongelijkheid en het waarborgen van zekerheid en stabiliteit, als voorwaarden voor concurrentievermogen, alsook van een ‘level playing field’ voor ondernemingen, in het bijzonder kleine en middelgrote bedrijven; overwegende dat een billijk en efficiënt belastingsysteem tegelijkertijd essentieel is voor de lidstaten om belastinginkomsten te garanderen, teneinde goed beleid te kunnen voeren, waar de hele EU de vruchten van plukt in de vorm van grotere stabiliteit;
K. overwegende dat de nominale tarieven van de vennootschapsbelasting op EU-niveau zijn gedaald, van gemiddeld 32 % in 2000 tot 21,7 % in 2019(20), hetgeen neerkomt op een daling van 32 %; overwegende dat deze daling implicaties kan hebben voor de houdbaarheid van de verzorgingsstaten in de EU en eventueel tot ‘spill‑over’-effecten naar andere landen kan leiden; overwegende dat 22 van de 38 landen die in het verslag van de OESO “Hervormingen van het belastingbeleid 2018”(21) ondervraagd zijn nu wettelijke vennootschapsbelastingtarieven van 25 % of minder hebben, vergeleken met slechts zes in 2000.
L. overwegende dat de Commissie in een aantal landenrapporten het feit heeft bekritiseerd dat er nationale belastingssystemen zijn die leemten vertonen die ruimte laten voor agressieve fiscale planning, en aangegeven heeft dat deze de integriteit van de Europese interne markt aantasten;
M. overwegende dat er in de waardeketens van multinationals een geleidelijke verschuiving heeft plaatsgevonden van materiële productie naar immateriële activa , zoals wordt weerspiegeld in de relatieve groeipercentages van royalty's en inkomsten uit licentievergoedingen over de laatste vijf jaar (bijna 5 % per jaar), vergeleken met handel in goederen en directe buitenlandse investeringen (minder dan 1 %per jaar); overwegende dat sommige multinationals – door van legale fiscale planningsstrategieën gebruik te maken – in sommige lidstaten bijna geen belastingen betalen, hoewel ze daar wel een aanzienlijke digitale aanwezigheid hebben en er veel inkomsten genereren;
N. overwegende dat een overdracht van de bevoegdheden op het gebied van belastingen van het nationale niveau naar het EU-niveau een Verdragswijziging zou vereisen;
Het vinden van een consensusoplossing voor de fiscale uitdagingen die de digitalisering van de economie met zich meebrengt
1. erkent dat vooruitgang is geboekt als gevolg van het BEPS-actieplan en de uitvoering ervan op het niveau van de EU middels de ATAD, maar constateert dat een aantal uitdagingen, met name gerelateerd aan de mondialisering en de digitalisering van de economie, nog altijd niet wordt aangepakt;
2. geeft aan dat de ATAD verder gaat dan het BEPS-actieplan, met name met de nieuwe regels inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen, die het mogelijk maken om in belastingparadijzen geparkeerde winsten te belasten in de EU-lidstaat waar de multinational in kwestie zijn hoofdzetel heeft; merkt op dat dit soort maatregelen een rem zet op agressieve fiscale planning en belastingontwijking; verzoekt de nieuwe Commissie de tenuitvoerlegging van de ATAD door de lidstaten aan een beoordeling te onderwerpen, in kaart te brengen op welke nieuwe manieren deze richtlijn kan worden omzeild, en nieuwe wetgevingsvoorstellen te doen om dit, in voorkomend geval, tegen te gaan;
3. wijst erop dat de voorstellen van de EU voor een C(C)CTB ook veel verder gaan dan deze OESO-alternatieven op EU-niveau, in het bijzonder doordat afgeweken wordt van het beginsel van een aparte entiteit; wijst op het standpunt van het Parlement over de C(C)CTB;
4. is van oordeel dat de voorstellen van de EU voor een C(C)CTB gunstig zijn voor zowel ondernemingen als burgers, aangezien deze het belastingkader zouden vereenvoudigen en bij zouden dragen aan het bestrijden van belastingontwijking; beklemtoont het belang van consolidering voor het verminderen van de administratieve rompslomp, de kosten van compliance en de belastingobstakels voor grensoverschrijdende ondernemingen in de EU, en om geen ingewikkelde regelingen voor verrekenprijzen meer nodig te hebben; dringt er derhalve met klem bij de Raad op aan de twee voorstellen snel goed te keuren;
5. geeft aan dat de EU een voortrekkersrol heeft vervuld met haar inspanningen voor het aanpakken van de fiscale uitdagingen van de digitalisering, met name met de C(C)CTB‑, DST‑ en SDP‑voorstellen;
6. betreurt het dat de lidstaten niet tot een gemeenschappelijke benadering van C(C)CTB, DST en SDP zijn kunnen komen; geeft aan dat de OESO de fiscale uitdagingen van de digitalisering van de economie wil aanpakken en vóór het eind van 2020 afspraken wil maken over een op consensus stoelende langetermijnoplossing; is van oordeel dat een mondiale oplossing hier het meest doeltreffend zou zijn;
7. stelt vast dat sommige lidstaten op nationaal niveau een DST of een SDP hebben vastgesteld (of overwegen dit te doen) als een mogelijke alternatieve benadering mochten de onderhandelingen in zowel de OESO, als in de EU mislukken;
8. verwelkomt het werkprogramma van het IF als een belangrijke stap naar een internationaal akkoord binnen de OESO/IF over hervorming van het internationale systeem voor de vennootschapsbelasting, zoals gevraagd door het Parlement;
9. verwelkomt het dat alle landen op voet van gelijkheid deelnemen in het IF, waarin meer dan 130 landen en rechtsgebieden samenwerken met betrekking tot de uitvoering van het BEPS-pakket van de OESO/G20 en onderhandelen over gemeenschappelijke oplossingen voor de nog resterende BEPS-uitdagingen; herinnert er evenwel aan dat de ontwikkelingslanden pas bij het BEPS-proces zijn betrokken toen de onderhandelingen zich reeds in een vergevorderd stadium bevonden; juicht het dan ook toe dat de lopende onderhandelingen een inclusief karakter hebben; wijst op het standpunt van het Parlement aangaande de oprichting van een intergouvernementeel belastingorgaan binnen de VN;
10. neemt nota van het feit dat de voorlopige bevindingen van het OESO-secretariaat naar aanleiding van de effectbeoordeling erop wijzen dat het gecombineerde effect van pijler 1 en pijler 2 tot een aanzienlijke toename van de mondiale belastinginkomsten zou leiden, alsmede tot een herverdeling van de belastingrechten naar marktjurisdicties; merkt in het bijzonder op dat pijler 2 tot een significante toename van de vennootschapsbelastinginkomsten wereldwijd zou leiden; stelt vast dat de twee pijlers geen negatieve impact zouden hebben op de uitermate belangrijke kwestie van het investeringsklimaat(22); verzoekt de lidstaten er bij de OESO op aan te dringen dat zij de reikwijdte van haar effectbeoordelingen uitbreidt tot verschillende versies van de voorstellen, waaronder tot de vraag hoe de nexus de vennootschapsbelastinginkomsten van afzonderlijke landen zou beïnvloeden, en dat zij die effectbeoordelingen zo snel mogelijk na afronding ervan publiceert, als onmisbare input voor de voorgestelde hervormingen;
11. onderstreept de specifieke kenmerken van de interne markt, die voorziet in het vrije verkeer van goederen en diensten, en is derhalve van oordeel dat elke internationale hervorming van de vennootschapsbelastingregels de soepele werking van de interne markt moet waarborgen, en dát met name middels het garanderen van gelijke randvoorwaarden voor alle ondernemingen, in het bijzonder kmo’s, waaronder regels betreffende het betalen van billijke belastingen op de plaats waar de feitelijke aanzienlijke en daadwerkelijke economische activiteit en de waardecreatie plaatsvinden, en regels voor een billijke verdeling van de belastinginkomsten onder alle lidstaten; is van oordeel dat toegang tot de interne markt, die één van de grootste pools van consumenten in de wereld vormt en het concurrentievermogen van de EU vergroot, onlosmakelijk verbonden is met fiscale verantwoordelijkheid;
12. geeft aan dat het belangrijk is dat de fiscale concurrentie tussen de lidstaten billijk en transparant blijft, daarmee een bijdrage leverend aan groei en werkgelegenheid;
Pijler 1 – Naar ‘één benadering’ voor een billijker toewijzing van belastingrechten
13. juicht het voorstel van het OESO-secretariaat toe om de drie voor pijler 1 voorgelegde alternatieven samen te voegen, aangezien ze hetzelfde beogen:
–
hertoewijzing van belastingrechten aan de gebruikers-/marktjurisdictie,
–
ontwikkeling van een nieuwe nexus die niet afhangt van de fysieke aanwezigheid in de gebruikers-/marktjurisdictie,
–
uitgaan van de wereldwijde winsten van multinationals en loslaten van het beginsel van een aparte entiteit,
–
eenvoud, stabilisatie van het belastingsysteem, en meer fiscale zekerheid bij de tenuitvoerlegging;
Toepassingsgebied
14. dringt erop aan af te zien van ‘ringfencing’ van de digitale economie aangezien de uitdagingen waar het internationale belastingsysteem op dit moment mee wordt geconfronteerd niet uitsluitend met die digitalisering te maken hebben, maar ook met een nog meer gemondialiseerde economie;
15. is van oordeel dat de hervorming zich – onder vermijding van nog meer en onnodige lasten voor kmo’s – moet uitstrekken tot alle grote ondernemingen die aan BEPS-praktijken kunnen doen middels het gebruik van wettelijke regelingen voor fiscale planning in meerdere lidstaten en derde landen; stelt vast dat het huidige voorstel van het OESO-secretariaat de reikwijdte van deze hervorming beperkt tot sterk gedigitaliseerde of consumentgeoriënteerde ondernemingen, een nog niet helder afgebakend begrip, waardoor veel multinationals die zich met agressieve fiscale planning bezighouden door de mazen van het net glippen;
16. beveelt aan dat om, als uitgangspunt, operationele winsten af te leiden van geconsolideerde financiële rekeningen op basis van een haalbaarheidsanalyse; onderkent evenwel het bestaan van tijdelijke leemten wanneer van geconsolideerde financiële rekeningen wordt uitgegaan en verzoekt de lidstaten dit punt te verduidelijken tijdens de IF‑onderhandelingen;
17. stelt vast dat het huidige voorstel van het OESO-secretariaat voorziet in de uitsluiting van specifieke sectoren, zoals de winningsindustrie en de grondstoffensector, en verzoekt de Commissie met klem deze uitsluitingen mee te nemen in haar effectbeoordeling, in het bijzonder om ervoor te zorgen dat de internationale hervorming strookt met het EU-concept van beleidssamenhang voor ontwikkeling;
18. spoort de OESO aan in haar voorstel een duidelijk onderscheid aan te brengen tussen sectoren en ondernemingsgroottes;
19. is van oordeel dat het belastingkader gekenmerkt zou moeten worden door evenwicht tussen de verschillende situaties, in het bijzonder ondernemingen met opbrengsten van een monopoliepositie en snelgroeiende innovatieve ondernemingen;
Nieuwe nexus
20. verwelkomt het idee van het ontwikkelen van een nieuwe nexus die verder gaat dan het concept van het hebben van een fysieke aanwezigheid in een land wat het toekennen van belastingrechten betreft; is van oordeel dat de nexus zo ontworpen moet zijn dat deze betrekking heeft op alle ondernemingen met banden met klanten en gebruikers in het land in kwestie, waaronder digitaal;
21. verwelkomt het idee van het ontwikkelen van een landenspecifieke inkomstendrempel die zo gekalibreerd is dat ook kleinere economieën een billijk deel van de belastingrechten krijgen; herinnert in dit verband aan het EU-voorstel voor een SDP;
22. juicht het idee toe dat deze nieuwe nexus een afzonderlijke bepalingen zou zijn, teneinde te waarborgen dat niet alle belastingverdragen moeten worden herzien;
Nieuwe toewijzing van belastingrechten
23. is voorstander van het ontwikkelen van een nieuwe toewijzing van belastingrechten die verdergaat dan het ‘arm’s length principle’ (ALP) en die nieuwe belastingrechten toewijst aan marktjurisdicties;
24. is van oordeel dat het aanbrengen van een onderscheid tussen routinematige en niet-routinematige winsten (vooralsnog niet helder gedefinieerde concepten), hetgeen wel eens in een uitsluitend kunstmatig onderscheid zou kunnen resulteren, alsook het handhaven van regels inzake verrekenprijzen op basis van het ‘arm’s length principle’ (ALP) voor de meeste winsttoewijzingen, tot veel meer complexiteit en onzekerheid voor ondernemingen zal leiden, met name wat de OESO-richtsnoeren aangaande verrekenprijzen betreft; is van mening dat het ALP veel grondiger moet worden herwerkt; vindt het zorgwekkend dat dit meer mogelijkheden zou kunnen creëren om de nieuwe regels te omzeilen;
25. verzoekt de Commissie en de lidstaten te verduidelijken hoe de nieuwe nexus en toewijzing van belastingrechten kunnen co‑existeren met de bestaande regels inzake verrekenprijzen, zoals voorgesteld door de OESO; is in dit verband veeleer voorstander van een oplossing waarbij voor een fractionele toewijzing van de mondiale winsten wordt gekozen, op basis van factoren die van inhoudelijke en daadwerkelijke economische activiteiten en waardecreatie getuigen, in het bijzonder verkopen, werknemers, activa en gebruikers; herinnert in dit verband aan zijn standpunt ten aanzien van de C(C)CTB‑ en SDP‑voorstellen, alsmede ten aanzien van R&D‑investeringen;
26. juicht de bereidheid toe om voor belastingzekerheid te zorgen en de aantallen geschillen te beperken die het gevolg zouden kunnen zijn van de toepassing van de nieuwe nexus en de nieuwe toewijzing van belastingrechten; dringt er in dit verband op aan te kijken of een mechanisme, zoals een éénloketsysteem, kan worden ontwikkeld dat het berekenen en betalen van verschuldigde belastingen vereenvoudigt en de administratieve lasten voor zowel ondernemingen als de belastingadministraties vermindert, én dat tegelijkertijd strookt met de nationale verplichtingen waar die administraties zich aan hebben te houden; beklemtoont overigens dat belastingzekerheid het best kan worden bereikt door de vaststelling van eenvoudige, heldere en geharmoniseerde regels die voorkomen dat überhaupt geschillen ontstaan; maakt zich zorgen over het voorstel van het secretariaat-generaal van de OESO voor bedrag C voor verplichte arbitrage gezien het bestaan van een geschilbeslechtingsmechanisme op EU-niveau(23);
Pijler 2 – Voorstel voor mondiale bestrijding van grondslaguitholling (GloBE)
27. verwelkomt het dat de leden van het IF wat de tweede pijler van het werkprogramma betreft overeenstemming(24) hebben bereikt om ‘te zoeken naar een benadering die jurisdicties vrijlaat hun eigen belastingsysteem vast te stellen, met inbegrip van het al dan niet heffen van een vennootschapsbelasting en de hoogte van hun belastingtarieven, met inachtneming van het recht van andere jurisdicties om toepassing te geven aan de regels hieronder waarbij inkomen wordt belast met een effectief tarief onder het minimumtarief’(25);
28. neemt nota van de toezeggingen van de G7 betreffende de tweede pijler, in het bijzonder de vaststelling van ministers dat ‘een minimumniveau van effectieve belasting, zoals de Amerikaanse GILTI-regeling, ertoe zou bijdragen dat ondernemingen hun billijk aandeel aan belastingen betalen’(26);
29. verwelkomt het GloBE-voorstel, dat bedoeld is te garanderen dat een minimumniveau aan belastingen wordt betaald op de plaats waar de waardecreatie en de economische activiteit plaatsvindt; is van oordeel dat het ultieme doel van de maatregelen van pijler 2 moet zijn het aanpakken van de resterende BEPS-kwesties onder vermijding van schadelijke belastingconcurrentie, in het bijzonder door het verminderen van de druk om ongerechtvaardigde fiscale stimulansen te bieden zonder positieve economische effecten, bovenop de bestaande maatregelen voor het bestrijden van belastingontduiking, agressieve fiscale planning en belastingontwijking; verzoekt de Commissie in kaart te brengen en te beoordelen wat de impact van deze toekomstige minimumnorm zou zijn op een mogelijke algemene wettelijke verlaging van het tarief voor de vennootschapsbelasting in de hele EU;
30. verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat het GloBE-voorstel resulteert in een zo eenvoudig mogelijk kader dat niet leidt tot de ontwikkeling van schadelijke belastingconstructies; herinnert eraan dat het Parlement gevraagd heeft om de opstelling van een EU-brede lijst van schadelijke belastingmaatregelen; beklemtoont dat ‘carve‑outs’ en uitzonderingen ondermijnend werken voor het met het GloBE-voorstel nagestreefde doel en de doeltreffendheid ervan; beveelt aan dat het GloBE-voorstel betrekking heeft op alle schadelijke belastingpraktijken als bedoeld in actie 5 van BEPS;
31. stelt vast dat het GloBE-voorstel een pakket defensieve maatregelen zou vormen, zoals een ‘income inclusion’-regel, een ‘switch‑over’-regel, een ‘undertaxed payments’-regel en een ‘subject‑to‑tax’-regel; herinnert in dit verband aan de wetgevingsresolutie van het Parlement over de ATAD(27);
32. is van oordeel dat de berekening van heffingsgrondslagen, in het kader van het GloBE-voorstel, moet plaatsvinden in overeenstemming met overeengekomen internationale beginselen ter voorkoming van uitholling van de heffingsgrondslag alsook van schadelijke concurrentie tussen landen, die het gevaar inhoudt van ondermijning van de doeltreffendheid van elk mogelijk besluit over een minimumbelastingniveau;
33. is van oordeel dat de gesprekken op het niveau van de OESO/G20 ook betrekking moeten hebben op een definitie van de grondslag in verband met dat tarief; is van oordeel dat een minimumtarief billijk moet zijn en vastgesteld moet worden op een niveau dat winstverschuiving ontmoedigt en schadelijke belastingconcurrentie vermijdt;
34. is van oordeel dat, wat de ‘income inclusion’-regel betreft, voor elke jurisdictie waar de multinationals gevestigd zijn een minimumniveau van belasting moet worden vastgesteld, teneinde de mogelijkheden om door te gaan met agressieve fiscale planning te beperken en derhalve te bewerkstelligen dat onze economie concurrerend blijft;
Conclusies
35. betreurt het dat de EU wat de lopende internationale onderhandelingen betreft niet tot een gemeenschappelijke benadering is kunnen komen; verzoekt elke lidstaat en de Commissie kenbaar te maken wat hun standpunt over de voorstellen van het OESO-secretariaat voor pijler 1 en pijler 2 is;
36. verzoekt de Commissie en de lidstaten overeenstemming te bereiken over een gemeenschappelijk, ambitieus EU-standpunt voor de onderhandelingen in het kader van de OESO, te garanderen dat de EU eensgezind optreedt en het goede voorbeeld geeft, teneinde te komen tot een billijker toewijzing van belastingrechten en een minimumbelastingniveau, gericht op een billijk internationaal belastingklimaat voor het bestrijden van belastingontduiking, agressieve fiscale planning en belastingontwijking;
37. verzoekt de Commissie te helpen bij het formuleren van een EU-standpunt; verzoekt de Commissie voor elke lidstaat en voor beide pijlers een effectbeoordeling van inkomsten te maken, inclusief ‘spill‑over’-effecten, met name voor het vrijwaren van het EU-concept van beleidssamenhang voor ontwikkeling; verzoekt de Commissie de Raad en het Parlement in kennis te stellen van haar bevindingen;
38. verwacht van de lidstaten dat zij alle relevante gegevens voor het verrichten van zo nauwkeurig mogelijke effectbeoordelingen en relevante analyses delen met zowel de OESO, als de Commissie;
39. moedigt de Commissie en de lidstaten met klem aan op internationaal niveau een akkoord te bereiken en dat akkoord vervolgens middels Europese en nationale wetgeving in de hele EU toe te passen; steunt ook het voornemen van de voorzitter van de Commissie om een voorstel voor een EU-oplossing te presenteren mocht een internationaal akkoord er vóór het eind van 2020 niet inzitten, op voorwaarde dat de EU-oplossing in kwestie niet beperkt is tot digitale ondernemingen; stelt vast dat een dergelijke oplossing de interne markt zou versterken door een minimumniveau van belastingen vast te stellen dat voorkomt dat er unilaterale maatregelen worden getroffen;
40. herinnert eraan dat de lopende internationale hervorming van de vennootschapsbelasting uit twee even belangrijke pijlers bestaat en dat deze twee pijlers complementair zijn; roept de lidstaten derhalve op deze twee pijlers in de onderhandelingen te behandelen als één enkel pakket noodzakelijke hervormingen;
41. verzoekt de Commissie en de lidstaten de rechtsgrond voor te bereiden voor het in het EU-recht integreren van de uitkomst (een internationaal akkoord) van de onderhandelingen en zo snel mogelijk een wetgevingsvoorstel voor te leggen;
42. verzoekt de Raad om, met steun van de Commissie, de criteria voor de EU lijst van niet-coöperatieve jurisdicties op het gebied van belastingen aan een beoordeling te onderwerpen zodra de internationale regels en/of de nieuw-overeengekomen hervormingen van de EU zijn vastgesteld, en te bepalen of een actualisering nodig is;
43. verzoekt de Commissie te onderzoeken of het mogelijk is een rechtsgrond te kiezen waarvoor in de Raad geen unanimiteit vereist is; herinnert aan de mededeling van de Commissie getiteld “Naar een meer efficiënte en democratische besluitvorming in het fiscale beleid van de EU”, die een routekaart naar stemmingen met gekwalificeerde meerderheid omvat;
44. beklemtoont dat een doeltreffende en alomvattende internationale hervorming tegelijkertijd ook transparant moet; verwelkomt de recente inspanningen van het voorzitterschap van de Raad om de gesprekken over een EU-voorstel voor openbare rapportage per land nieuw leven in te blazen; betreurt het dat de Raad op dit punt vooralsnog niet tot overeenstemming is kunnen komen; verzoekt de lidstaten zo snel mogelijk tot afspraken te komen over een algemene benadering; onderstreept dat openbare rapportage per land de BEPS 2.0-hervorming doeltreffender zou maken;
o o o
45. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het secretariaat van de OESO, en de regeringen en parlementen van de lidstaten.
De gezamenlijke follow-up van de resolutie van het Europees Parlement (ECON) met aanbevelingen aan de Commissie over meer transparantie, coördinatie en convergentie van het beleid ten aanzien van de vennootschapsbelasting in de Europese Unie, en de resolutie van het Europees Parlement (TAXE) over tax rulings en andere maatregelen van gelijke aard of met vergelijkbaar effect, vastgesteld door de Commissie op 16 maart 2016, de follow-up van de resolutie van het Europees Parlement (TAX2) over tax rulings en andere maatregelen van gelijke aard of met vergelijkbaar effect, vastgesteld door de Commissie op 16 november 2016, en de follow-up van de niet-wetgevingsresolutie (PANA) van het Europees Parlement van 12 december 2017 over de ontwerpaanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad en de Commissie naar aanleiding van het onderzoek naar witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking, vastgesteld door de Commissie in april 2018.
Hadzhieva, E., “Impact of Digitalisation on International Tax Matters: Challenges and Remedies”, Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, beleidsondersteunende afdeling A, Economische Zaken, Wetenschapsbeleid en Levenskwaliteit, februari 2019.
“Study on Structures of Aggressive Tax Planning and Indicators - Final Report” (Taxation paper No 61, 27 januari 2016), “The Impact of Tax Planning on Forward-Looking Effective Tax Rates” (Taxation paper No 64, 25 oktober 2016), en “Aggressive tax planning indicators - Final Report” (Taxation paper No 71, 7 maart 2018).
Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt, PB L 193 van 19.7.2016, blz. 1.
Richtlijn (EU) 2017/952 van de Raad van 29 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/1164 wat betreft hybride mismatches met derde landen, PB L 144 van 7.6.2017, blz. 1.
Voorstel van 25 oktober 2016 voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCTB), COM(2016)0685, en voorstel van 25 oktober 2016 betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB), COM(2016)0683.
Het pakket bestaat uit de mededeling van de Commissie van 21 maart 2018 getiteld "Tijd om een moderne, eerlijke en efficiënte standaard voor de belastingheffing van de digitale economie vast te stellen" (COM(2018)0146), het voorstel van 21 maart 2018 voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van regels betreffende de vennootschapsbelasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid (COM(2018)0147), het voorstel van 21 maart 2018 voor een richtlijn van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van een digitaledienstenbelasting op inkomsten uit de levering van bepaalde digitale diensten (COM(2018)0148), en de aanbeveling van de Commissie van 21 maart 2018 betreffende de vennootschapsbelasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid (C(2018)1650).
Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 12 april 2016 tot wijziging van Richtlijn 2013/34/EU wat betreft de openbaarmaking van informatie over de winstbelasting door bepaalde ondernemingen en bijkantoren (COM(2016)0198).
Met betrekking tot Fiat, Starbucks en de Belgische fiscale rulings voor overwinst, en de besluiten om staatssteunonderzoeken in te stellen naar McDonald’s, Apple en Amazon.
Woordelijke verslagen van de hoorzittingen met Margrethe Vestager, uitvoerend vicevoorzitter van de Europese Commissie, Valdis Dombrovskis, uitvoerend vicevoorzitter van de Europese Commissie, en Paolo Gentiloni, commissaris, beschikbaar op: https://www.europarl.europa.eu/news/en/hearings2019/commission-hearings-2019
Data on Taxation, Taxation Trends in the European Union, tabel 3: Top statutory corporate income tax rates (including surcharges), 1995-2019, Europese Commissie, 2019, beschikbaar op https://ec.europa.eu/taxation_customs/sites/taxation/files/taxation_trends_report_2019_statutory_rates.xlsx
OESO en geselecteerde partnereconomieën, “Hervormingen van het belastingbeleid 2018”; Er zij ook op gewezen dat, volgens de Commissie, de EU 28 reeds ver onder dit niveau ligt, met een gemiddeld vennootschapsbelastingtarief van 21,9 % in 2018, tegen 32 % in 2000: “Taxation Trends in the European Union - Data for the EU Member States, Iceland and Norway”, editie 2018 (blz. 36) en “Taxation Trends in the European Union - Data for the EU Member States, Iceland and Norway”, editie 2015 (blz. 147).
Belastingrapport van de secretaris-generaal van de OESO voor de ministers van Financiën en de presidenten van de nationale banken van de G20, oktober 2019, OESO, Parijs.
Richtlijn (EU) 2017/1852 van de Raad van 10 oktober 2017 betreffende mechanismen ter beslechting van belastinggeschillen in de Europese Unie (PB L 265 van 14.10.2017, blz. 1).
Werkprogramma voor het vinden van een consensusoplossing voor de fiscale uitdagingen die het gevolg zijn van de digitalisering van de economie, OESO, 2019, Parijs, blz. 25, punt 50.
G7, samenvatting van de voorzitter: Bijeenkomst van de ministers van Financiën en presidenten van de centrale banken van de G7 op 17 en 18 juli 2019 https://www.gouvernement.fr/sites/default/files/locale/piece-jointe/2019/07/g7_chairs_summary.pdf
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 8 juni 2016 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken die de werking van de interne markt rechtstreeks schaden, PB C 86 van 6.3.2018, blz. 176.
De rechtsstaat in Malta, na de recente onthullingen over de moord op Daphne Caruana Galizia
175k
51k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 december 2019 over de rechtsstaat in Malta, na de recente onthullingen over de moord op Daphne Caruana Galizia (2019/2954(RSP))
– gezien de artikelen 2, 4, 5, 6, 7, 9 en 10 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),
– gezien artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),
– gezien de artikelen 6, 7, 8, 10, 11, 12 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
– gezien het advies over constitutionele regelingen, de scheiding der machten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en rechtshandhavingsinstanties in Malta, uitgebracht door de Commissie van Venetië tijdens haar 117e plenaire vergadering (Venetië, 14-15 december 2018),
– gezien het verslag van 23 januari 2019 van de Europese Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s getiteld “Burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders in de Europese Unie” (COM(2019)0012),
– gezien zijn resolutie van 16 januari 2014 over het te koop aanbieden van het EU‑burgerschap(1) en de gezamenlijke persverklaring van 29 januari 2014 van de Europese Commissie en de autoriteiten van Malta over het Maltese Individual Investor Programme (IIP),
– gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie over de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten(2) en zijn resolutie van 14 november 2018 over de noodzaak van een omvattend EU-mechanisme voor de bescherming van democratie, de rechtsstaat en grondrechten(3),
– gezien zijn resolutie van 15 november 2017 over de rechtsstaat in Malta(4),
– gezien zijn resolutie van 3 mei 2018 over pluralisme van de media en mediavrijheid in de Europese Unie(5),
– gezien het verslag van 11 januari 2018 over het bezoek van de ad-hocdelegatie van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Enquêtecommissie die onderzoek moest doen naar vermeende inbreuken op en gevallen van wanbeheer bij de toepassing van het Unierecht met betrekking tot witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking (PANA) aan Malta van 30 november tot 1 december 2017,
– gezien het verslag van 16 november 2018 over het bezoek van de ad-hocdelegatie van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken aan Malta en Slowakije van 17 tot 20 september 2018,
– gezien de hoorzittingen en gedachtewisselingen die de Groep voor toezicht op de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten heeft gehouden sinds haar oprichting door de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken op 4 juni 2018,
– gezien de brief van de premier van Malta van 13 maart 2019,
– gezien resolutie 2293 (2019) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa van 26 juni 2019, getiteld “De moord op Daphne Caruana Galizia en de rechtsstaat in Malta en daarbuiten – ervoor zorgen dat de hele waarheid boven water komt”,
– gezien de vraag aan de Commissie over de stand van zaken ten aanzien van de rechtsstaat en de strijd tegen corruptie binnen de EU, in het bijzonder in Malta en Slowakije(6),
– gezien de ad-hocdelegatie van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken naar Malta van 3 tot 4 december 2019,
– gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,
A. overwegende dat de Europese Unie gevestigd is op de waarden van eerbiediging van de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, en overwegende dat deze waarden universeel zijn en dat de lidstaten deze gemeen hebben;
B. overwegende dat de eerbiediging van de rechtstaat, de democratie, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en de in de EU-Verdragen en internationale mensenrechteninstrumenten vervatte waarden en beginselen verplichtingen zijn die op de Unie en haar lidstaten rusten en die moeten worden nagekomen; overwegende dat de Unie op grond van artikel 2, artikel 3, lid 1, en artikel 7 van het VEU bevoegd is om op te treden om de gemeenschappelijke waarden waarop zij berust, te beschermen en dat het rechtsstatelijkheidsmechanisme in gelijke mate op alle lidstaten moet worden toegepast;
C. overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie deel uitmaakt van het primaire EU-recht; overwegende dat de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid en pluriformiteit van de media zijn vastgelegd in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten en artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM);
D. overwegende dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht is vastgelegd in artikel 19, lid 1, van het VWEU, artikel 47 van het Handvest van de grondrechten en artikel 6 van het EVRM, en dat zij een essentiële vereiste is van het democratische beginsel van de scheiding der machten;
E. overwegende dat de stelselmatige weigering van één lidstaat om de fundamentele waarden van de Europese Unie en de Verdragen waartoe hij uit vrije wil is toegetreden, te eerbiedigen, gevolgen heeft voor de EU als geheel;
Onderzoeken
F. overwegende dat Daphne Caruana Galizia, de Maltese onderzoeksjournaliste en blogster gespecialiseerd in corruptiebestrijding, op 16 oktober 2017 is vermoord met een autobom;
G. overwegende dat het onderzoek naar de moord onder leiding van de Maltese autoriteiten, bijgestaan door Europol, tot dusver heeft geleid tot de identificatie en voorgeleiding van verscheidene verdachten en één potentiële opdrachtgever van de moord, namelijk de eigenaar van het in Dubai gevestigde bedrijf 17 Black Ltd., die op 20 november 2019 is gearresteerd terwijl hij klaarblijkelijk probeerde Malta op zijn jacht te ontvluchten;
H. overwegende dat een van de vermoedelijke medeplichtigen en de vermoedelijke opdrachtgever de voormalige kabinetschef van de premier bij de planning en financiering van de moord hebben betrokken;
I. overwegende dat deze onthullingen hebben geleid tot tal van grote demonstraties en protesten van het maatschappelijk middenveld in Malta, waarbij werd opgeroepen tot gerechtigheid, verantwoordingsplicht en eerbied voor de rechtsstaat;
J. overwegende dat de kabinetschef van de premier informatie heeft verkregen tijdens veiligheidsbriefings door de politie en de Maltese veiligheidsdienst; overwegende dat hij op 26 november 2019 ontslag heeft genomen nadat hij door de politie was ondervraagd in verband met de zaak-Daphne Caruana Galizia; overwegende dat hij sindsdien verscheidene malen opnieuw door de politie is gearresteerd, verhoord en zonder aanklacht is vrijgelaten;
K. overwegende dat ook de minister van Toerisme op 26 november 2019 ontslag heeft genomen; overwegende dat de minister van Economie zijn functie dezelfde dag tijdelijk heeft neergelegd, maar op 1 december 2019 in zijn ambt is hersteld;
L. overwegende dat de Maltese premier te midden van de groeiende politieke onrust rond het moordonderzoek heeft aangekondigd dat hij zal aftreden na een partijvoorzittersverkiezing die op 12 januari 2020 zal worden gehouden;
M. overwegende dat de Maltese regering op 20 september 2019 heeft laten weten dat er een “openbaar onafhankelijk onderzoek naar de moord op Daphne Caruana Galizia” zou worden ingesteld; overwegende dat de premier, na zware kritiek van de familie Caruana Galizia en internationale waarnemers, twee nieuwe leden van de raad heeft benoemd en de reikwijdte van het onderzoek in aanzienlijke mate heeft gewijzigd, zodat nu alle partijen tevreden zijn;
N. overwegende dat de premier de verdachte die vermoedelijk de tussenpersoon bij de moord was, op 25 november 2019 op eigen gezag presidentiële gratie heeft verleend in ruil voor informatie die tot de opdrachtgever leidt, mits alle informatie door bewijzen wordt gestaafd; overwegende dat de vermoedelijke opdrachtgever, wiens advocaat publiekelijk heeft verklaard dat hij informatie kan verstrekken over het moordcomplot en corruptie waarbij mensen uit de omgeving van de premier, onder wie de voormalige kabinetschef en de voormalige minister van Toerisme, betrokken zijn, om gratie heeft verzocht maar dat zijn verzoek eerst eigenmachtig door de premier en een tweede keer door het kabinet is afgewezen op advies van de politiecommissaris en de advocaat-generaal;
O. overwegende dat tientallen maatschappelijke organisaties, media-agentschappen, studentenorganisaties, vakbonden en beroepsverenigingen zoals de Maltese werkgeversorganisatie, de kamer van koophandel en industrie en de orde van advocaten de premier publiekelijk hebben opgeroepen om met onmiddellijke ingang af te treden;
P. overwegende dat er nog steeds ernstige bezorgdheid bestaat over de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad in Malta; overwegende dat dit het vertrouwen van de burgers in de openbare instellingen dreigt te ondermijnen, wat zou kunnen leiden tot een gevaarlijke onderlinge verwevenheid tussen criminele groepen en de overheid;
Q. overwegende dat er, ondanks herhaalde oproepen van het Europees Parlement en andere internationale instellingen, geen oplossing voor het geïmproviseerde gedenkteken in Valetta is gevonden, aangezien de wetgeving en de houding van de regering onveranderd blijven en er vrijwel dagelijks voorwerpen van eerbetoon door overheidspersoneel worden weggehaald;
Mediavrijheid
R. overwegende dat de familie van Daphne Caruana Galizia nog steeds te maken heeft met haatcampagnes en talrijke aanklachten wegens smaad, onder meer van de kant van leden van de Maltese regering, en overwegende dat verscheidene regeringsfunctionarissen, onder wie de premier, hebben gezegd dat ze niet zien waarom deze aanklachten wegens smaad zouden moeten worden ingetrokken;
S. overwegende dat Malta op de wereldindex voor persvrijheid 2019 van Verslaggevers zonder grenzen naar de 77e plaats is gezakt (in 2018 stond het op de 65e plaats, in 2017 op de 47e)(7);
T. overwegende dat de beoordeling van de “civic space” in Malta volgens de Civicus Monitor 2019 is verslechterd van “open” naar “versmald”; overwegende dat Civicus de omgeving voor journalisten beschrijft als “steeds vijandiger, met name voor journalisten die verslag uitbrengen over corruptie” en stelt dat “de straffeloosheid na de moord [...] op [...] Daphne Caruana Galizia de staat de ruimte heeft geboden om activisten en mensen die opkomen voor gerechtigheid, te intimideren en lastig te vallen”(8);
U. overwegende dat journalisten en met name, maar niet uitsluitend, onderzoeksjournalisten in toenemende mate worden geconfronteerd met zogenoemde “strategische rechtszaken tegen burgerparticipatie”, die bedoeld zijn om hun werk te bemoeilijken;
V. overwegende dat journalisten na een persconferentie in het kantoor van de premier op 29 november 2019 de zaal en het gebouw een tijdlang niet mochten verlaten; overwegende dat een gebrek aan veiligheid voor journalisten en een krimpende ruimte voor het maatschappelijk middenveld als gevolg van pesterijen en intimidatie, het toezicht op de uitvoerende macht ondergraven en het maatschappelijke engagement van de burgers doen afbrokkelen;
Witwaspraktijken/corruptie
W. overwegende dat er vijf administratieve onderzoeken lopen naar beschuldigingen van corruptie, namelijk een onderzoek naar Pilatus Bank, een onderzoek naar een bedrag dat de voormalige kabinetschef van de premier heeft overgemaakt aan de accountant van Nexia BT, een onderzoek naar smeergeld tussen de voormalige kabinetschef van de premier en Adrian Hillman van de Times of Malta, een onderzoek naar 17 Black Ltd. en twee andere bedrijven, Tillgate en Hearnville, en een onderzoek naar Vitals;
X. overwegende dat tussen mei 2016 en november 2019 de kabinetschef van de minister-president, de minister van Toerisme en de voormalige minister van Energie de enige actieve hoge overheidsfunctionarissen van een EU-lidstaat waren die in de Panama Papers genoemd werden als eindbegunstigden van een bedrijf;
Y. overwegende dat een van de vermeende opdrachtgevers voor de moord de eigenaar van het in Dubai gevestigde bedrijf 17 Black Ltd. en voormalig bestuurslid van het bedrijf Electrogas Malta Ltd. is, en dat deze persoon eveneens betrokken is bij de uitvoering van de langetermijnovereenkomst voor gaslevering van Azerbeidzjan aan Malta;
Z. overwegende dat Moneyval, het antiwitwasorgaan van de Raad van Europa, de Maltese autoriteiten in zijn verslag van 12 september 2019 heeft verzocht hun maatregelen ter bestrijding van witwassen en de financiering van terrorisme in de praktijk strikter toe te passen, en daarnaast heeft besloten zijn intensievere follow-upprocedure toe te passen en Malta gevraagd heeft om in december 2020 verslag uit te brengen; overwegende dat de wetshandhavingsinstanties volgens het verslag momenteel niet in staat zijn om complexe witwaszaken op hoog niveau die verband houden met financiële delicten, omkoping en corruptie doeltreffend en tijdig aan te pakken(9);
AA. overwegende dat GRECO, het anticorruptieorgaan van de Raad van Europa, in zijn verslag van 22 maart 2019 vraagtekens heeft geplaatst bij de doeltreffendheid van de openbare instellingen die verantwoordelijk zijn voor de democratische controlemechanismen, aangezien het land de afgelopen jaren een ongekende golf van controverses heeft doorgemaakt met betrekking tot de integriteit van regeringsfunctionarissen tot op het hoogste niveau(10);
AB. overwegende dat de Commissie in het verslag van het Europees Semester 2019 over Malta (SWD(2019)1017) heeft gesteld dat het institutionele kader voor corruptiebestrijding tekortschiet, en dat er op diverse overheidsniveaus een risico op belangenconflicten bestaat;
AC. overwegende dat uit het Commissieverslag van september 2019 blijkt dat Malta met afstand het hoogste percentage belastingontduiking van Europa heeft, en dat Maltese staatsburgers grote offshorerijkdom bezitten en hun vermogen in het buitenland plaatsen(11);
AD. overwegende dat in een verslag van de Europese Centrale Bank van de zomer van 2019 melding zou zijn gemaakt van ernstige tekortkomingen waardoor witwaspraktijken en andere criminele activiteiten bij de Bank of Valetta jarenlang konden voortduren, ondanks herhaalde waarschuwingen;
AE. overwegende dat Greco ook heeft geconcludeerd dat de Vaste Commissie tegen corruptie (Permanent Commission Against Corruption) nauwelijks kan worden beschouwd als een gespecialiseerd orgaan voor de ondersteuning van corruptieonderzoeken, en dat zijn bijdrage aan de corruptiebestrijding in Malta te verwaarlozen is(12);
Burgerschaps- en verblijfsregeling voor investeerders
AF. overwegende dat in 2019 ten minste vijf gevallen zijn gemeld waarbij begunstigden van de Maltese “burgerschaps- en verblijfsregeling voor investeerders” werden beschuldigd van ernstige financiële delicten;
AG. overwegende dat een vertegenwoordiger van de paspoortbemiddelaar Chetcuti Cauchi Advisors Ltd. in een interview voor het Franse tv-programma “Enquête exclusive” liet doorschemeren dat zijn persoonlijke connecties met de premier, de minister van Justitie en het parlementair secretariaat voor Hervormingen, Burgerschap en de Vereenvoudiging van administratieve procedures een gunstig effect zouden hebben op de aanvraagprocedure, ook voor cliënten met een crimineel verleden; overwegende dat deze onthullingen ernstige twijfels oproepen over de betrouwbaarheid en toetsing van de Maltese burgerschaps- en verblijfsregeling;
AH. overwegende dat de Maltese overheid op 8 november 2019 een verslag van de toezichthouder van het Individual Investor Programme (IIP) heeft gepubliceerd over een onderzoek naar de rol van Chetcuti Cauchi Advocates als bemiddelaar voor het IIP; overwegende dat in de samenvatting van dit verslag wordt gemeld dat tijdens het onderzoek “geen aanwijzingen zijn gevonden die de beschuldigingen volledig of ten dele ondersteunen”(13);
AI. overwegende dat Chetcuti Cauchi Advisors Ltd. indiener was van de eerste goedgekeurde aanvraag in het kader van het nieuw ingevoerde Individual Investor Programme in Malta en in 2016 de bevoorrechte status van “goedgekeurde bemiddelaar” kreeg toegekend, omdat het “voldeed aan de door Identity Malta gestelde kwaliteits-, betrouwbaarheids- en volumevereisten”; overwegende dat een promotievideo voor het bedrijf is gefilmd in Auberge de Castille, het kantoor van de premier, en dat ook het parlementair secretariaat voor burgerschap een rol in deze video speelt; overwegende dat de regering de vergunningen van burgerschapsbemiddelaars nrs. IIP 001 en IIP 124 op 23 september 2019 heeft ingetrokken omdat het bedrijf “misleidende informatie” zou hebben verspreid;
AJ. overwegende dat het gebruik van burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders door EU-lidstaten ernstige risico's oplevert voor de bestrijding van witwassen, het wederzijds vertrouwen en de integriteit van de Schengenruimte, het mogelijk maakt dat onderdanen van derde landen toegang verkrijgen louter op grond van rijkdom in plaats van nuttige kennis, vaardigheden of humanitaire overwegingen, en resulteert in het daadwerkelijk verkopen van EU-burgerschap; overwegende dat de Commissie uitdrukkelijk heeft verklaard dat zij de Maltese burgerschaps- en verblijfsregeling voor investeerders niet onderschrijft;
Hervorming van de grondwet
AK. overwegende dat de Commissie van Venetië in haar advies inzake Malta, dat werd aangenomen tijdens haar 117e plenaire vergadering van 14 en 15 december 2018(14), een reeks voorstellen voor hervormingen van de grondwet had gedaan;
AL. overwegende dat Malta onder toezicht van de president een discussie is gestart over een proces van grondwettelijke hervormingen, waarbij verschillende politieke krachten en het maatschappelijk middenveld zijn betrokken, en dat voor uitvoering van het merendeel van deze hervormingen een tweederdemeerderheid in het parlement is vereist; overwegende dat er een hervormingsproces gaande is waarin de controversiële grondwettelijke rol van de procureur-generaal en het huidige stelsel voor gerechtelijke benoemingen ter discussie worden gesteld;
AM. overwegende dat het Europees Parlement en verschillende andere internationale instellingen herhaaldelijk zorgen hebben geuit over de onpartijdigheid van de wetshandhaving, de scheiding der machten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Malta, vooral wat betreft de politisering en het gebrek aan transparantie bij selectie- en benoemingsprocedures, bijvoorbeeld voor de functie van korpschef;
AN. overwegende dat de Commissie op 17 juli 2019 een mededeling heeft gepubliceerd over de “Versterking van de rechtsstaat binnen de Unie – Een blauwdruk voor acties” (COM(2019)0343), naar aanleiding van verschillende breed gesteunde resoluties van het Europees Parlement(15) met voorstellen voor een omvattend en onafhankelijk mechanisme om de situatie ten aanzien van democratie, de rechtsstaat en grondrechten (DRG) jaarlijks in alle lidstaten te monitoren;
1. maakt zich grote zorgen over de integriteit en geloofwaardigheid van de onderzoeken naar de moord op Daphne Caruana Galizia; neemt kennis van het wijdverbreide negatieve beeld van het optreden van de overheid in deze zaak, en van het afnemende vertrouwen en geloof in de instellingen; onderstreept dat een onbetwist vertrouwen in het onderzoeksproces, zowel van de Maltese burgers als de Europese gemeenschap, van essentieel belang is; neemt kennis van de vorderingen in het onderzoek naar de moord op Daphne Caruana Galizia; benadrukt echter dat de zaak nog altijd niet is opgelost en het onderzoek nog loopt;
2. beklemtoont dat ieder risico op het feitelijk of vermeend in gevaar brengen van het onderzoek te allen tijde moet worden vermeden; wijst er voorts op dat dit risico blijft voortbestaan zolang de premier in functie blijft;
3. vindt het bijzonder zorgwekkend dat in diverse andere onderzoeken naar gerelateerde witwas- en corruptiezaken geen vooruitgang is geboekt of dat de onderzoeken niet eens zijn opgestart, in het bijzonder ten aanzien van de voormalige kabinetschef van de premier en de voormalige minister van Toerisme; verzoekt de Maltese autoriteiten deze onderzoeken op te starten en vooruit te helpen;
4. pleit nogmaals voor de volledige en voortdurende betrokkenheid van Europol bij alle aspecten van het moordonderzoek en bij alle daaraan gerelateerde onderzoeken; dringt erop aan dat de betrokkenheid van Europol wordt vergroot naarmate deze resultaten oplevert;
5. betreurt ten zeerste dat de ontwikkelingen in Malta van de afgelopen jaren hebben geleid tot ernstige en aanhoudende bedreigingen van de rechtsstaat, democratie en grondrechten, met inbegrip van de mediavrijheid, de onafhankelijkheid van de politie en de rechterlijke macht, en het recht op vrijheid van vreedzame vergadering; betreurt het gebrek aan passende grondwettelijke waarborgen met betrekking tot de scheiding der machten;
6. betreurt dat de Commissie de afgelopen jaren geen concrete maatregelen heeft getroffen tegen de Maltese regering, ondanks herhaaldelijke verzoeken van het Europees Parlement; spoort de nieuwe Commissie ertoe aan zonder verdere vertraging een dialoog aan te gaan met de Maltese overheid in de context van het EU-kader voor de rechtsstaat;
7. merkt op dat het hervormingsproces met betrekking tot de controversiële grondwettelijke rol van de procureur-generaal en het huidige stelsel voor gerechtelijke benoemingen en loopbaanontwikkeling, zoals voorgesteld door de Commissie van Venetië, zich in het laatste stadium bevindt; verzoekt de regering en het parlement van Malta met klem de overige aanbevelingen van de Commissie van Venetië en Greco binnen gestelde tijd volledig ten uitvoer te brengen;
8. onderschrijft de opmerking van Commissievicevoorzitter Jourová dat er een artikel 7-procedure tegen Malta zou kunnen worden ingeleid op grond van de gebrekkige uitvoering van gerechtelijke hervormingen;
9. merkt op dat de bescherming van onderzoeksjournalisten en klokkenluiders van cruciaal belang is voor de samenleving; verzoekt de Maltese autoriteiten te allen tijde en tegen elke prijs toe te zien op de bescherming van de persoonlijke veiligheid en bestaansmiddelen en dus onafhankelijkheid van journalisten en klokkenluiders;
10. verzoekt de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) met de Maltese en de Europese autoriteiten samen te werken en erop toe te zien dat het geld dat op de bankrekeningen van “17 Black” bevroren is niet wordt vrijgegeven voordat een grondig onderzoek heeft plaatsgevonden; verzoekt de Commissie en de Maltese autoriteiten gebruik te maken van alle instrumenten die zij tot hun beschikking hebben om de medewerking van de autoriteiten van de VAE en passende juridische bijstand bij alle onderzoeken te waarborgen;
11. wijst nogmaals op de dringende noodzaak van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten zoals voorgesteld door het Parlement in de vorm van een interinstitutioneel pact voor DRG, bestaande uit een jaarlijkse onafhankelijke, op feiten gebaseerde en niet-discriminerende evaluatie waarin alle EU-lidstaten op voet van gelijkheid worden beoordeeld op de naleving van de in artikel 2 VEU vastgelegde waarden, met landenspecifieke aanbevelingen (het Europees DRG-verslag) die worden gevolgd door een interparlementair debat, en een permanente DRG-beleidscyclus binnen de EU-instellingen(16); verzoekt de Commissie andermaal om voorstellen in te dienen ter voorkoming van zogenaamde “strategische rechtszaken tegen publieke inspraak”;
12. dringt er bij de regering van Malta op aan haar burgerschaps- en verblijfsregeling voor investeerders te beëindigen, en opdracht te geven voor een onafhankelijk en internationaal onderzoek naar de gevolgen van deze verkoop van burgerschap en verblijfsvergunningen voor de Maltese handhavingscapaciteit ten aanzien van de bestrijding van witwassen, voor de grensoverschrijdende criminaliteit en voor de integriteit van het Schengengebied; verzoekt de Commissie alle bestaande burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders te blijven monitoren en evalueren en de nodige stappen te nemen, zoals voorgesteld in eerdere resoluties; verzoekt de Raad deze kwestie te bespreken(17);
13. verzoekt de Commissie gebruik te maken van alle instrumenten en procedures die zij tot haar beschikking heeft om volledige naleving van het EU-recht te waarborgen ten aanzien van de strijd tegen witwassen (met name wat betreft onderzoeken en handhaving en de onafhankelijkheid van de bevoegde autoriteiten), het toezicht op het bankwezen, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, openbare aanbestedingen, ruimtelijke ordening en stedelijke ontwikkeling; verzoekt de Maltese autoriteiten alle aanbevelingen van Moneyval ten uitvoer te brengen;
14. betreurt dat de regering ondanks herhaalde verzoeken geen vooruitgang heeft geboekt bij het vinden van een oplossing voor het geïmproviseerde gedenkteken dat een roep om gerechtigheid vormt voor Daphne Caruana Galizia; verzoekt de premier onmiddellijk een einde te maken aan de bijna dagelijkse verwoesting van het geïmproviseerde gedenkteken in Valletta;
15. verheugt zich erover dat het Bureau van het Parlement ermee heeft ingestemd een Europese “Daphne Caruana Galizia prijs voor onderzoeksjournalistiek” in het leven te roepen, die jaarlijks zal worden uitgereikt voor uitzonderlijke prestaties op het gebied van onderzoeksjournalistiek in Europa, en verzoekt het Bureau zo snel mogelijk de nodige regelingen te treffen;
16. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Raad van Europa en de president van de Republiek Malta.
Comité van deskundigen inzake de evaluatie van maatregelen ter bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (Moneyval), “Anti-money laundering and counter-terrorist financing measures – Malta – Fifth Round Mutual Evaluation Report”, juli 2019.
Greco, “Fifth Evaluation Round – Preventing corruption and promoting integrity in central governments (top executive functions) and law enforcement agencies – Evaluation Report – Malta”, 3 april 2019.
Greco, “Fifth Evaluation Round – Preventing corruption and promoting integrity in central governments (top executive functions) and law enforcement agencies – Evaluation Report – Malta”, 3 april 2019.
Kabinet van de toezichthouder van het Individual Investor Programme, “Analysis of IIP Applications presented by Chetcuti Cauchi Advocates”, 8 november 2019.
“Malta – Opinion on Constitutional arrangements and separation of powers”, aangenomen door de Commissie van Venetië tijdens haar 117e plenaire vergadering (Venetië, 14-15 december 2018).
Resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten – PB C 215 van 19.6.2018, blz. 162; resolutie van 14 november 2018 over de noodzaak van een omvattend EU‑mechanisme voor de bescherming van democratie, de rechtsstaat en grondrechten – Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0456.
Resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten – PB C 215 van 19.6.2018, blz. 162; resolutie van 14 november 2018 over de noodzaak van een omvattend EU‑mechanisme voor de bescherming van democratie, de rechtsstaat en grondrechten – Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0456.
Resolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking – Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0240; resolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over de situatie van de rechtsstaat en de strijd tegen corruptie binnen de EU, met name in Malta en Slowakije – Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0328; resolutie van het Europees Parlement van 16 januari 2014 over het te koop aanbieden van het EU-burgerschap – Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0038.
EU-initiatief inzake bestuivers
168k
51k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 december 2019 over het EU-initiatief inzake bestuivers (2019/2803(RSP))
– gezien de mededeling van de Commissie van 1 juni 2018 over het EU-initiatief inzake bestuivers (COM(2018)0395),
– gezien zijn resolutie van 2 februari 2016 over de tussentijdse evaluatie van de biodiversiteitsstrategie van de EU(1),
– gezien zijn resolutie van 15 november 2017 over een actieplan voor de natuur, de mensen en de economie(2),
– gezien zijn resolutie van 16 januari 2019 over de toelatingsprocedure van de Unie voor pesticiden(3),
– gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,
– gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,
A. overwegende dat de Commissie op 1 juni 2018 het EU-initiatief inzake bestuivers heeft gelanceerd naar aanleiding van de verzoeken van het Europees Parlement en de Raad om iets te doen aan de afname van bestuivers;
B. overwegende dat er al veel onderzoek is gedaan naar de redenen voor de daling van het aantal bestuivers; overwegende dat de tenuitvoerlegging van de resultaten van dit onderzoek veel te wensen overlaat;
C. overwegende dat wilde bestuivers een essentiële rol spelen bij gewasbestuiving; overwegende dat honingbijen deze bijdrage ondersteunen;
D. overwegende dat bestuiving door honingbijen louter een aanvulling is op en geen vervanging vormt van bestuiving door een brede waaier aan insectensoorten(4), waaronder solitaire bijen, vlinders, zweefvliegen en kevers;
E. overwegende dat de Internationale Unie voor behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen (IUCN) er op 11 oktober 2019, naar aanleiding van de escalerende biodiversiteitscrisis, met klem op heeft aangedrongen veel meer te doen voor de instandhouding van soorten, alsook de regeringen wereldwijd heeft gevraagd de daling van het aantal soorten een halt toe te roepen, door de mens veroorzaakte uitstervingen tegen 2030 te voorkomen, en de conservatiestatus van bedreigde soorten te verbeteren, teneinde tegen 2050 tot een significant herstel te komen;
F. overwegende dat bestuivers essentiële directe en indirecte ecosysteemdiensten verrichten, zoals bestuiving, plaagbestrijding, behoud van de bodem- en waterkwaliteit, en verhoging van de schoonheid van het landschap;
G. overwegende dat aanhoudende inspanningen nodig zijn om de erkenning van het belang van bestuivers voor de productiviteit van de landbouw veilig te stellen;
H. overwegende dat in de EU 78 % van de wilde plantensoorten in ieder geval voor een deel afhankelijk zijn van bestuiving door dieren(5);
I. overwegende dat er onvoldoende gegevens en informatie voorhanden zijn over bestuivende insecten, met uitzondering van bijen en vlinders;
J. overwegende dat de term “bestuivers” onder andere betrekking heeft op bijen, zweefvliegen, vlinders, motten, kevers, wespen, onweersvliegjes, zoogdieren zoals vleermuizen, en vogels;
K. overwegende dat gezonde bestuivers essentieel zijn voor de landbouw in de Unie, aangezien 84 % van de gewassoorten(6) en 76 % van de voedselproductie in Europa afhankelijk zijn van bestuiving door bijen; overwegende dat tot 15 miljard EUR van de jaarlijkse landbouwproductie van de EU rechtstreeks aan bestuivers kan worden toegeschreven(7);
L. overwegende dat bestuivers als een van de belangrijkste indicatoren van de gezondheid van ons milieu worden beschouwd; overwegende dat de statistieken en trends in heel Europa – hoewel soms onvolledig – allemaal duiden op een zorgwekkende afname van de bestuiverspopulaties;
M. overwegende dat de slechte conservatiestatus van vlinders en hun seminatuurlijke graslandhabitats duidelijk vaststaat, en een goede indicatie geeft van de situatie van wilde bijen, zweefvliegen, motten en andere bestuivers;
N. overwegende dat slechts 56 soorten bestuivers door Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (de habitatrichtlijn)(8) beschermd worden, en dat bij 67 % ervan de beoordeling ongunstig is;
O. overwegende dat het Parlement meerdere proefprojecten en voorbereidende acties heeft geïnitieerd voor nadere studie naar de afname van bestuivers en het ontwikkelen van concrete oplossingen voor het afremmen van de zorgwekkende afname van de bestuiverspopulaties(9);
P. overwegende dat het gebruik van voor bestuivers en hun voedsel schadelijke pesticiden sterk moet worden verminderd, met het oog op een afdoende bescherming en herstel van bestuivers;
Q. overwegende dat het gebruik van sommige pesticiden in verband gebracht is met nadelige milieugevolgen, waaronder hoge risico’s voor tamme en wilde bijen, die zorgen voor de bestuiving van de meeste gewassen in de hele wereld;
R. overwegende dat professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen(10) verplicht zijn gegevens bij te houden betreffende het gebruik van deze middelen gedurende de laatste drie jaar, met vermelding van de naam van het gewasbeschermingsmiddel, het tijdstip en de dosering van de toepassing, alsook het gebied waarin en het gewas waarop het middel is gebruikt;
S. overwegende dat de Unie in april 2018 besloten heeft om het gebruik in de open lucht van de neonicotinoïden imidacloprid, clothianidine en thiamethoxam volledig te verbieden;
T. overwegende dat enkele lidstaten kennis hebben gegeven van uitzonderingen in noodgevallen voor het gebruik van deze neonicotinoïden op hun grondgebied; overwegende dat dergelijke kennisgevingen van goede kwaliteit moeten zijn en openbaar moeten worden gemaakt; overwegende dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) tot de slotsom is gekomen dat voor ongeveer een derde van de producten waaraan uitzonderingen in noodgevallen waren toegekend alternatieven voorhanden waren; overwegende dat de EFSA een rol kan vervullen bij het beoordelen van uitzonderingen in noodgevallen(11);
U. overwegende dat is aangetoond dat het gebruik van glyfosaat schadelijk is voor de bacteriën van honingbijen en zo bijdraagt aan de daling van het aantal bestuivers en het verlies van habitats; overwegende dat bepaalde fungiciden de acute toxiciteit van insecticiden kunnen verdubbelen(12);
V. overwegende dat het EFSA-document met richtsnoeren voor het beoordelen van de risico’s van gewasbeschermingsmiddelen voor bijen (EFSA-richtsnoeren betreffende bijen, 2013), met de meest actuele wetenschappelijke methode voor het beoordelen van de risico’s van pesticiden voor Apis mellifera, Bombus spp. en solitaire bijen, niet volledig door de lidstaten wordt onderschreven; overwegende dat deze situatie een ondermijning vormt van de goede toepassing van de goedkeuringscriteria als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1107/2009, en dus van een goede bescherming van deze soorten;
W. overwegende dat, afgezien van de gevolgen van insecticiden voor bestuivers, het gebruik van breedspectrumonkruidverdelgingsmiddelen op landschapsschaal, bijvoorbeeld voor de preventie van onkruid of als verdorringsmiddel, de voedselbronnen van bestuivers buiten de bloeiperiodes van de voornaamste gewassen vernietigt en bijdraagt tot het uitsterven van soorten;
X. overwegende dat, ook indien de EFSA-richtsnoeren betreffende bijen van 2013 volledig zouden worden toegepast, vlinders, motten en zweefvliegen nog steeds niet beschermd zouden zijn door de regels voor de goedkeuring van pesticiden;
Y. overwegende dat met elkaar verbonden habitats van bestuivers, zoals bufferstroken, hagen en begroeide wateren, bodemerosie kunnen tegengaan en in het algemeen kunnen bijdragen tot meer biodiversiteit, en in potentie van nut kunnen zijn voor het verbeteren van de kwaliteit van het voedsel dat beschikbaar is voor zowel gedomesticeerde bijen als wilde bestuivers;
Z. overwegende dat veel habitats van bestuivers ondertussen sterk gefragmenteerd zijn, en specifieke soorten steeds meer te lijden hebben onder slecht habitatbeheer en de klimaatverandering;
AA. overwegende dat het bestaan, de instandhouding en het herstel van gebieden met inheemse bloemen, ook in steden, essentieel is voor gezonde populaties van wilde bestuivers;
AB. overwegende dat wilde bestuivers en imkers in Europa vrijwel gratis bestuivingsdiensten verlenen; overwegende dat dit in schril contrast staat met de situatie in andere delen van de wereld, waar bestuiving net zo duur is als andere landbouwproductiemiddelen, zoals zaaigoed, meststoffen en pesticiden;
AC. overwegende dat bestuivers maatschappelijk en cultureel belangrijk zijn in de vorm van geneesmiddelen, producten, kunst en tradities;
AD. overwegende dat deze meestal kosteloze bestuivingsdiensten een aanvulling vormen op die van wilde bestuivers en alleen kunnen worden aangeboden omdat de voornaamste bron van inkomsten voor imkers de verkoop van honing en andere honingbijproducten is; overwegende dat de invoer van namaakhoning een bedreiging vormt voor de economische basis van de bijenteelt in de EU;
AE. overwegende dat de in de EU genomen agromilieumaatregelen niet volstaan om het verlies aan bestuivershabitats en de afname van de kwaliteit van habitats te compenseren; overwegende dat ook de vergroening onvoldoende tot verbetering heeft geleid;
AF. overwegende dat zowel de Commissie milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid als de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling in hun standpunten over het voorstel voor een verordening inzake de strategische GLB-plannen (COM(2018)0392) op de invoering van een bestuiversimpactindicator hebben aangedrongen;
AG. overwegende dat de invoering van een bestuiversindicator kan bijdragen tot de verbetering van besluitvormingsprocessen, een doeltreffender inzet van publieke middelen, grotere verantwoordingsplicht, en inzicht in de gevolgen van beleid en wetgeving;
AH. overwegende dat overmatige bemesting van gewassen bijdraagt tot een afname van de aantallen bloeiende planten, die een potentiële bron van voedsel vormen voor bestuivers;
AI. overwegende dat de stikstofemissies tot eutrofiëring leiden en voor welig tierende grassen zorgen, die de kruiden en bloemen uit de grasvelden wegdrukken, de kale grond bedekken die veel bestuivers gebruiken om te nesten, en voor schaduw laag bij de grond zorgen, resulterend in een voor veel inheemse soorten ongeschikt koel microklimaat;
Algemene opmerkingen
1. stelt vast dat het EU-initiatief inzake bestuivers een meerwaarde heeft in de vorm van de vaststelling van strategische doelstellingen en een reeks door de EU en de lidstaten te nemen urgente maatregelen om bestuivers te beschermen; juicht het werk toe dat nu reeds op plaatselijk niveau wordt gedaan ter bescherming van de habitats van bestuivers;
2. is echter van oordeel dat in het initiatief onvoldoende aandacht wordt besteed aan de vele oorzaken van de verdwijning van bestuivers, waaronder veranderingen in het landgebruik, verlies van habitats en hun onderlinge verbindingen, intensief landbouwbeheer, gewasbeschermingsmiddelen, milieuvervuiling, de gevolgen van ziekteverwekkers en parasieten zoals de varroamijt, klimaatverandering en invasieve uitheemse soorten(13); meent dat “Prioriteit II: Aanpak van de oorzaken van de daling van het aantal bestuivers” onverwijld moet worden uitgevoerd;
3. is van mening dat bestuivers onmisbaar zijn voor de handhaving van de biodiversiteit en stelt dat de meeste plantensoorten zich zonder bestuivers niet kunnen voortplanten; onderkent dat de afname van de aantallen bestuivers van invloed is op de kwaliteit en de kwantiteit van de landbouwopbrengsten en het economische rendement voor landbouwers;
4. onderstreept het belang van bestuivers voor de landbouw, de bedreiging voor de voedselproductie als gevolg van de afname van de aantallen bestuivers en de noodzaak snel en verregaande maatregelen te nemen voor de bescherming en het herstel van bestuivers en hun diensten;
5. benadrukt dat het belangrijk is om een holistische aanpak te volgen en het effect van de bestaande beleidsmaatregelen te evalueren, om zo de verdwijning van bestuivers in de Unie op doeltreffende wijze tegen te gaan; beklemtoont dat bij de bescherming van bestuivers in het algemeen, zowel tamme als wilde bestuivers, het voorzorgsbeginsel in acht moet worden genomen;
6. benadrukt dat de diversiteit van bestuivers wereldwijd moet worden beschermd, met inbegrip van (in Europa) ongeveer 2 000 wilde bijensoorten en andere insecten zoals vliegen, kevers, motten en vlinders;
7. benadrukt dat zowel in plattelands- als in stedelijke gebieden maatregelen ter stimulering van de biodiversiteit moeten worden bevorderd, aangezien de gezondheid en overleving van bestuivers afhankelijk is van soortenrijke habitats met diverse en continu aanwezige voedselbronnen, zoals nectar en pollen, in voldoende hoeveelheden, alsook van habitats om te nesten, te paren en te overwinteren;
8. spoort de Commissie aan het EU-initiatief inzake bestuivers en de resultaten ervan in te passen in de ontwikkeling van de EU-biodiversiteitsstrategie voor de periode na 2020, en de doelstellingen van het initiatief om te zetten in een volwassen en over voldoende middelen beschikkend actieprogramma voor bestuivers;
9. verzoekt de Commissie de terugloop van het aantal bestuivers op internationaal niveau aan te pakken, en te pleiten voor krachtige maatregelen om bestuivers en hun habitats wereldwijd te beschermen;
Biodiversiteit en landbouwpraktijken
10. benadrukt dat het stimuleren van de biodiversiteit en daarmee het creëren van kwalitatief hoogwaardige habitats voor bestuivers op landbouwgrond als centrale doelstelling moet worden opgenomen in het toekomstige gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), dat in het bijzonder gericht moet zijn op het in stand houden van landbouwgebieden met een hoge natuurwaarde en het creëren van nieuwe natuurgebieden, op het terugdringen van het gebruik van pesticiden en minerale meststoffen, en op het bevorderen van polyculturen en gewasrotatie;
11. merkt op dat de afbouw van de afhankelijkheid van pesticiden een van de hoofddoelstellingen is van Richtlijn 2009/128/EG inzake het duurzame gebruik van gewasbeschermingsmiddelen(14); onderstreept dat de lidstaten in hun uit hoofde van deze richtlijn aangenomen nationale actieplannen plannen voor de reductie van pesticiden moeten opnemen, met heldere doelen, ijkpunten en termijnen, en dat het terugdringen van pesticiden een “gemeenschappelijke indicator” moet worden voor het meten van succes; is van oordeel dat bij de aanstaande herziening van Richtlijn 2009/128/EG na een naar behoren uitgevoerde effectbeoordeling voor de hele EU geldende verplichte doelstellingen voor de reductie van het gebruik van pesticiden moeten worden opgenomen;
12. verzoekt de Commissie de herziene nationale actieplannen die uit hoofde van Richtlijn 2009/128/EG aangenomen zijn tegen het licht te houden en alle mogelijke maatregelen te nemen om te waarborgen dat de lidstaten zich daadwerkelijk inspannen voor het halen van de doelen wat de reductie van het gebruik van pesticiden betreft, en voor monitoring zorgen;
13. verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat landbouwers via nationale en regionale systemen voor landbouwadvisering hoogwaardig advies krijgen over hoe zij de biodiversiteit en bestuivers kunnen beschermen en bevorderen;
14. herhaalt dat bestuiving cruciaal is voor de landbouwproductie en is derhalve van mening dat steun in het kader van de eerste pijler van het GLB niet tot verzwakking of het verlies van bestuivingsdiensten mag leiden; verzoekt de Commissie strategische plannen alleen goed te keuren indien hiermee in het conditionaliteitselement en in de ecoregelingen onder de eerste pijler naar behoren rekening is gehouden;
15. beklemtoont dat een groot aantal nationale programma’s voor plattelandsontwikkeling reeds maatregelen voor het bevorderen van biodiversiteit en het ondersteunen van bestuivers omvat; merkt op dat om dergelijke programma’s voort te zetten en uit te breiden er in eerste instantie voldoende financiële middelen voor de tweede pijler van het GLB ter beschikking moeten worden gesteld; beklemtoont dat daarbij met de diversiteit van de regio’s en habitats, alsook met de vele verschillende soorten bestuivers, rekening moet worden gehouden, in die zin dat voor een nationale en een regionale aanpak moet worden gekozen;
16. verzoekt de Commissie en de lidstaten gehoor te geven aan het verzoek van het Parlement betreffende de opname van een bestuiversindicator in het GLB;
17. benadrukt dat in 18 EU-lidstaten de verkoop van pesticiden(15) tussen 2016 en 2017 is gestegen; stelt bezorgd vast dat wat de categorie overige insecticiden(16) betreft, de verkoop in 9 van de 13 landen waarvoor uitgesplitste gegevens voorhanden waren, in 2017 was gestegen in vergelijking met 2016, en dat het initiatief inzake bestuivers deze trend niet relevant acht;
18. onderstreept dat de lidstaten daarom in hun strategische plannen in het kader van het GLB biodiversiteitsmaatregelen als doelstellingen moeten opnemen, en dat het terugdringen van pesticiden en het vergroten van de biodiversiteit “gemeenschappelijke indicatoren” moeten worden voor het meten van succes;
19. beklemtoont dat de te ontwikkelen indicator betreffende de diversiteit en de omvang van de bestuiverspopulaties het mogelijk zal maken het succes van het GLB op dit gebied in kaart te brengen;
20. benadrukt dat, overeenkomstig Richtlijn 2009/128/EG inzake het duurzame gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, eerst niet-chemische methoden voor de bestrijding van plagen moeten worden ingezet, om bestuivers te beschermen;
21. verzoekt de Commissie het verbod op imidacloprid, clothianidine en thiamethoxam uit te breiden tot alle pesticiden op basis van neonicotinoïden;
22. verzoekt de Commissie stelselmatig advies in te winnen bij de EFSA in gevallen waarin de lidstaten een noodtoelating voor een pesticide afgeven, overeenkomstig artikel 53 van Verordening (EG) nr. 1107/2009; acht het van belang dat de EFSA ook een onderzoek instelt naar het effect van de vervanging door en de beschikbaarheid van niet-chemische methoden;
23. verzoekt de Commissie te verzekeren dat de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1107/2009 correct worden toegepast, en als dusdanig onder meer een minimumnorm voor kennisgevingen van noodtoelatingen voor het gebruik van pesticiden te waarborgen, en ervoor te zorgen dat de lidstaten volledige, gedetailleerde toelichtingen verstrekken en de desbetreffende kennisgevingen openbaar maken; is ingenomen met de rol van de EFSA bij het beoordelen van deze toelatingen wegens noodgevallen;
24. beklemtoont dat professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen minstens drie jaar lang het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, alsook het gebied en de dosis waarin en het tijdstip waarop zij worden gebruikt, nauwkeurig moeten registreren; merkt op dat de relevante geregistreerde gegevens op verzoek ter beschikking moeten worden gesteld van de bevoegde instantie, teneinde de naleving van de randvoorwaarden te controleren en na te gaan hoe succesvol het GLB is in het terugdringen van het gebruik van pesticiden in de hele EU;
25. vraagt de Commissie en de lidstaten bewustzijn te creëren en financieringsactiviteiten in dit verband te stimuleren; wijst erop dat gemeenschappelijke instrumenten en modellen voor de ontwikkeling van strategieën en plannen voor bestuivers op basis van bestaande beste praktijken een impuls zullen geven aan de vaststelling van aanvullende maatregelen op nationaal, regionaal en lokaal niveau;
26. verzoekt de Commissie en de lidstaten zo snel mogelijk volledig goedkeuring te hechten aan de EFSA-richtsnoeren inzake bijen van 2013, waaronder aan de vereisten met betrekking tot chronische en larventoxiciteit, alsook die betreffende andere soorten dan honingbijen;
27. roept de lidstaten, in afwachting van de volledige aanneming van de EFSA-richtsnoeren betreffende bijen op EU-niveau, op om hun beoordelingen van pesticiden daarop af te stemmen;
28. verzoekt de Commissie de EFSA te vragen richtsnoeren voor het gebruik van pesticiden op te stellen met pregoedkeuringstests, ter bescherming van vlinders, motten en zweefvliegen;
29. benadrukt dat de aanwezigheid van habitats voor bestuivers zorgt voor een hogere productiviteit van landbouwgrond;
30. verzoekt de Commissie bij het vaststellen van de doelstellingen van het GLB grenzen te stellen aan de doelstelling om de productiviteit te verhogen, en om de intensieve landbouw te reguleren en het gebruik van vergroenende maatregelen te bevorderen die de habitat van bestuivers kwalitatief en kwantitatief verbeteren en iets doen aan het steeds homogener worden van het Europese landschap;
31. verzoekt de Commissie en de lidstaten het gebruik van weidegrond en weidehabitats, inclusief met bomen en struiken begroeide weiden en andere agribosbouwsystemen, te bevorderen als een kritieke voorwaarde voor het creëren van nest-, broed- en overwinteringssubstraten voor bestuivers, in combinatie met de instandhouding van gemeenschappen van grasland met een hoge natuurwaarde voor begrazing en andere traditionele vormen van extensieve landbouw;
32. beklemtoont in dit verband dat gewasrotatie, het gebruik van sterke variëteiten, en machinaal wieden/biologische bestrijding van plaagorganismen zullen bijdragen tot herstel van de habitats van bestuivers, terwijl grote arealen met monoculturen juist tot een afname van de aantallen bestuivers leiden;
33. verzoekt de Commissie en de lidstaten ondersteuning te geven aan groene infrastructuurvoorzieningen, die mozaïeken van habitats en functionele onderlinge verbindingen voor bestuivers in plattelands- en stedelijke gebieden creëren en herstellen;
34. roept de Commissie en de lidstaten op om een goed onderhoud van heggen te stimuleren en het concept van bufferstroken, gras- c.q. bloemstroken langs waterwegen en gebieden met overblijvende planten te bevorderen als maatregelen om de biodiversiteit te stimuleren, teneinde biopesticiden, habitats voor bestuivers, en gebieden waarin bestuivers naar voedsel kunnen zoeken, te beschermen en erosie beter tegen te gaan in plattelands-, semistedelijke en ook stedelijke gebieden;
35. verzoekt de lidstaten te werken aan een zo vroeg mogelijke opname op de Unielijst van soorten die een gevaar vormen voor bestuivers, snel te reageren op controles en dergelijke soorten te elimineren, de waakzaamheid te vergroten, en beperkende maatregelen te nemen wanneer verspreidingen zijn geconstateerd;
36. verzoekt de Commissie maatregelen voor te stellen om de druk op bestuivers als gevolg van de braaklegging van landbouwgrond te verminderen;
37. beklemtoont dat doeltreffende bioveiligheidsmaatregelen moeten worden getroffen voor potplanten en aarde vooraleer deze over grotere afstanden worden vervoerd, en dat overheden die met het beheer van groene ruimten belast zijn, aangespoord moeten worden plaatselijke planten te gebruiken, hetgeen de gunstige effecten voor bestuivers maximaliseert en het risico van de verspreiding van invasieve soorten zo veel mogelijk beperkt;
38. verzoekt de Commissie de criteria te bepalen die nodig zijn om een EU ecolabel te ontwikkelen voor bestuiversvriendelijke potplanten waarop de plaats van herkomst vermeld staat, die in een duurzame houder zitten, waarvoor geen turf wordt gebruikt, en die geen insecticiden bevatten;
39. verzoekt de Commissie en de lidstaten de bijenteeltsector te ondersteunen door strengere invoercontroles uit te voeren om de invoer van namaakhoning te voorkomen en door voor honingmengsels etikettering met de vermelding van de oorsprong (de naam van elk land) verplicht te stellen;
40. dringt aan op de bevordering en ontwikkeling van bestuivershabitats in stedelijke gebieden;
Onderzoek, opleiding en toezicht
41. wijst met betrekking tot honingbijen (Apis mellifera) in het bijzonder op het belang van onderzoek naar de oorzaken van het verontrustende verschijnsel dat de levensverwachting van bijenkoninginnen afneemt;
42. is van mening dat het van cruciaal belang is de ontwikkeling te ondersteunen van de testrichtsnoeren die nog niet beschikbaar zijn, met name op het gebied van acute en chronische toxiciteit voor solitaire bijen, chronische toxiciteit voor hommels, subletale effecten, gelijktijdige blootstelling aan meerdere verbindingen (cumulatieve en synergistische effecten), alsook tests voor andere soorten van bestuivers;
43. beklemtoont dat het onderzoeksluik van het initiatief geen aandacht besteedt aan de op resultaten gebaseerde regelingen met een monitoringelement, die nuttig zouden kunnen zijn aangezien ze gedeeltelijk in de monitoringbehoeften voorzien en landbouwers relevante stimulansen bieden; geeft aan dat dergelijke regelingen in proefprojecten kunnen worden ingepast en onder verschillende financiële instrumenten en beleidsterreinen van de EU, waaronder het GLB, kunnen worden opgeschaald;
44. verzoekt de Commissie en de lidstaten meer financiering ter beschikking te stellen voor fundamenteel en toegepast onderzoek naar bestuivers en de ontwikkeling van behandelingswijzen van nieuwe ziekten, parasieten en virussen die bestuivers aanvallen, en te investeren in versterking en uitbreiding van de pool van taxonomische deskundigen, waaronder middels het EU-kaderprogramma voor onderzoek en innovatie; vindt dat meer de nadruk moet worden gelegd op veldonderzoek en andere bestuivers dan honingbijen en vlinders;
45. verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor de stelselmatige en gestandaardiseerde monitoring onder natuurlijke omstandigheden van wilde bestuivers en de belangrijkste bedreigingen waar zij mee worden geconfronteerd, teneinde inzicht te krijgen in de omvang van hun afname en de oorzaken ervan, en een volledig beeld te krijgen van de doeltreffendheid van de desbetreffende Europese en nationale maatregelen;
46. verzoekt de Commissie en de lidstaten in de strategische plannen in het kader van het GLB voldoende financiering ter beschikking te stellen voor de monitoring van wilde bestuivers, teneinde robuuste gegevens te verzamelen voor het ontwikkelen van een GLB-bestuiversindicator, in overeenstemming met de toezegging in kwestie in het EU‑initiatief inzake bestuivers;
47. meent dat eco-innovatie(17) in de landbouwsector moet worden ondersteund en dat samenwerking met de academische wereld en met onderzoekers uit verschillende gebieden moet worden aangemoedigd, teneinde steun te verlenen aan de ontwikkeling van pesticiden met een laag risico die onschadelijk zijn voor bestuivers;
48. meent dat steun moet worden verleend aan onderzoek met betrekking tot de agro-ecologische transitie van de landbouw, alsook aan de ontwikkeling van voor bestuivers onschadelijke methoden voor ziektebeheer, zoals geëigende verbouwingstechnieken, gewasrotatie en evenwichtige bemesting;
49. verzoekt de Commissie en de lidstaten ondersteuning te geven aan burgerwetenschap, met bijzondere aandacht voor het registreren en monitoren van bestuivers, alsmede het opleiden van imkers, zodat de Unie op niet-invasieve wijze, namelijk via de ontwikkeling van indicatoren voor de vitaliteit van bijenkolonies, toezicht kan houden op de bijenpopulatie;
o o o
50. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.
Gallai, N. e. a., Economic Valuation of the Vulnerability of World Agriculture Confronted with Pollinator Decline, Ecological Economics 68:3, blz. 810-821.
Met name de EU-monitoring en indicatoren voor bestuivers, de milieumonitoring van het gebruik van pesticiden met behulp van honingbijen, het in kaart brengen van de biodiversiteit met behulp van de Red list index, en de ontwikkeling van een toolbox voor landbouwers met geïntegreerde gewasbeschermingspraktijken uit de hele Europese Unie.
Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).
Tsvetkov, N., Samson-Robert, O., Sood, K., Patel, H. S., Malena, D. A., Gajiwala, P. H., Maciukiewicz, P., Fournier, V., Zayed, A. (2017): “Chronic exposure to neonicotinoids reduces honey bee health near corn crops”, Science, vol. 356, nr. 6345, blz. 1395-1397. https://doi.org/10.1126/science.aam7470
Potts, S.G. e. a., (2016): The Assessment Report of the Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services on Pollinators, Pollination and Food Production, Secretariat of the Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services, Bonn, Duitsland, 552 blz.
Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71).
Er zijn gegevens van Eurostat voor de categorie insecticiden en acariciden; er bestaan verder gegevens voor uiteenlopende categorieën van insecticiden (pyrethroïden, gechloreerde koolwaterstoffen, organophosphaten, carbamaten en oximo-carbamaten, en overige insecticiden). Beschikbaar op http://appsso.eurostat.ec.europa.eu/nui/submitViewTableAction.do
Door de Commissie gedefinieerd als elke innovatie die resulteert in een significante stap in de richting van de verwezenlijking van de doelstelling van duurzame ontwikkeling, door het verkleinen van de impact van onze productiemethoden op het milieu, het vergroten van de milieudrukbestendigheid van de natuur, of een efficiënter en meer verantwoord gebruik van de natuurlijke hulpbronnen.
Het mogelijk maken van de digitale transformatie van gezondheid en zorg
165k
55k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 december 2019 over het mogelijk maken van de digitale transformatie van gezondheid en zorg de burger meer zeggenschap geven en bouwen aan een gezondere maatschappij (2019/2804(RSP))
– gezien de mededeling van de Commissie van 25 april 2018 over het mogelijk maken van de digitale transformatie van gezondheid en zorg in de digitale eengemaakte markt; de burger “empoweren” en bouwen aan een gezondere maatschappij (COM(2018)0233),
– gezien de mededeling van de Commissie van 30 april 2004 getiteld “e-Gezondheidszorg – een betere gezondheidszorg voor de burgers van Europa: Een actieplan voor een Europese Ruimte voor e-gezondheidszorg” (COM(2004)0356),
– gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 21 december 2007 getiteld “Action plan of the lead market initiative in the area of eHealth” (Actieplan van het initiatief voor leidende markten op het gebied van e-gezondheid) – Bijlage I bij de mededeling “Een Europees initiatief voor leidende markten” COM(2007)0860, SEC(2007)1730,
– gezien de aanbeveling van de Commissie van 2 juli 2008 inzake grensoverschrijdende interoperabiliteit van systemen voor elektronische medische dossiers (kennisgeving geschied onder nummer C(2008)3282)(1),
– gezien de mededeling van de Commissie van 4 november 2008 over telegeneeskunde ten bate van de patiënten, de gezondheidszorgstelsels en de maatschappij (COM(2008)0689),
– gezien de mededeling van de Commissie van 6 december 2012 “Actieplan e-gezondheidszorg 2012-2020 – Innovatieve gezondheidszorg voor de 21e eeuw” (COM(2012)0736),
– gezien Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie(2),
– gezien Speciaal verslag nr. 07/2019 van de Europese Rekenkamer getiteld “EU‑maatregelen voor grensoverschrijdende gezondheidszorg: hoge ambities, maar beter beheer nodig,
– gezien Aanbeveling (EU) 2019/243 van de Commissie van 6 februari 2019 betreffende een Europees uitwisselingsformaat voor elektronische patiëntendossiers(3),
– gezien Richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende zorg(4),
– gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming, hierna: AVG)(5),
– gezien de conclusies van de Raad van 8 december 2017 over gezondheid in de digitale samenleving - vooruitgang boeken met gegevensgestuurde innovatie op gezondheidsgebied(6),
– gezien de vragen aan de Commissie over het mogelijk maken van de digitale transformatie van gezondheid en zorg in de digitale eengemaakte markt; de burger “empoweren” en bouwen aan een gezondere maatschappij (O-000042/2019 – B9‑0062/2019),
– gezien artikel 136, lid 5, en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,
– gezien de ontwerpresolutie van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid,
A. overwegende dat de opkomst van nieuwe technologieën zowel kansen als uitdagingen creëert voor de ontwikkeling van een betere gezondheidszorg; overwegende dat de gezondheids- en zorgstelsels in Europa door de vergrijzing van onze samenlevingen, een hogere levensverwachting en een stelselmatig dalend geboortecijfer met grote uitdagingen worden geconfronteerd, die tot bezorgdheid leiden in verband met de toekomstige houdbaarheid van de gezondheidszorg en anderzijds nieuwe kansen met zich meebrengen vanwege de opkomst van nieuwe technologieën; overwegende dat er in dit verband een paradigmaverschuiving nodig is in de richting van proactieve en responsieve gezondheidszorgstelsels waarin de nadruk in de eerste plaats ligt op de instandhouding van een goede gezondheid in plaats van ziektemanagement;
B. overwegende dat de uitgaven aan gezondheidszorg snel stijgen en 9,6 %(7) van het bbp van de EU als geheel vertegenwoordigen; overwegende dat de gezondheidsstelsels bij de verstrekking van toegankelijke, veerkrachtige en houdbare gezondheidsdiensten en langetermijnzorg zo doeltreffend en efficiënt mogelijk moeten zijn, en billijke toegang daartoe moeten waarborgen, alsook voor nieuwe, op de ontwikkelingen in de samenleving aansluitende diensten, een probleemloze zorgverlening, ongeacht de soort dienst of de provider, moeten instaan, en verbeteringen moeten doorvoeren waar patiënten iets aan hebben en die aansluiten bij hun veranderende en toenemende gezondheids- en zorgbehoeften, welzijn en levenskwaliteit, waarbij rekening gehouden wordt met de verschillen tussen patiënten wat betreft internetconnectiviteit, digitale vaardigheden en gezondheidsalfabetisme;
C. overwegende dat innovatieve digitale oplossingen op het gebied van gezondheid en zorg een impuls kunnen geven aan ziektepreventie en de bevordering van een gezonde levensstijl, de levenskwaliteit van burgers ten goede kunnen komen, en doeltreffender vormen van het organiseren en verstrekken van gezondheids- en zorgdiensten mogelijk kunnen maken;
D. overwegende dat gegevens betreffende de gezondheid van EU-burgers een belangrijke factor zijn bij het mogelijk maken van de digitale transformatie en dat deze gegevens nauwkeurig moeten worden beschermd tegen oneigenlijk gebruik; overwegende dat de beschikbaarheid van gegevens van lidstaat tot lidstaat sterk verschilt, en verder overwegende dat ten gevolge van het gebrek aan interoperabiliteit tussen en de fragmentatie van de gezondheidsstelsels burgers nog niet volledig van de digitale eengemaakte markt kunnen profiteren;
E. overwegende dat de digitalisering van de gezondheidszorg niet beperkt zal blijven tot een toegenomen gebruik van mobiele gezondheidsapps, maar ook de analyse van uitgebreide datasets zal inhouden, bekend als datamining, die wordt gebruikt als basis voor artificiële intelligentie (AI) en machinaal leren;
F. overwegende dat het organiseren en verstrekken van gezondheidszorg en sociale zorg de verantwoordelijkheid van de lidstaten is; overwegende dat de Unie de samenwerking tussen de lidstaten kan ondersteunen daar waar het gaat om het bevorderen van volksgezondheid en de preventie van ziekten, het vergroten van de complementariteit - grensoverschrijdend - van hun gezondheidsdiensten, alsook het ondersteunen en mogelijk maken van onderzoek en ontwikkeling op het gebied van slimme gezondheidszorg in Europa;
G. overwegende dat de verwachtingen van patiënten en hun wens om hun eigen gezondheid te monitoren, toenemen, en de noodzaak ook steeds groter wordt om burgers met betrekking tot hun gezondheid te “empoweren” door middel van op de gebruiker gerichte diensten en meer preventieve, gepersonaliseerde en flexibele manieren voor interactie tussen mensen, gezondheidsdiensten en gezondheidswerkers;
H. overwegende dat de steeds verder gedigitaliseerde samenleving er in toenemende mate voor zal zorgen dat patiënten, zorgverleners en gezondheidsprofessionals, en potentieel alle actoren binnen de gezondheidsketen, bij het gebruik van informatietechnologieën en digitale patiëntendossiers voor uitdagingen worden gesteld, hetgeen vragen oproept inzake de bescherming van persoonsgegevens en de privacy;
I. overwegende dat gezondheidsgegevens van bijzonder gevoelige aard zijn en dat hiervoor strenge ethische eisen moeten gelden, alsook de geïnformeerde toestemming van burgers met betrekking tot de verzameling, de verwerking, het gebruik en de opslag van deze gegevens;
J. overwegende dat het van het allergrootste belang is dat burgers erop kunnen rekenen dat de verzameling, de verwerking, het gebruik en de opslag van hun gezondheidsgegevens op veilige en vertrouwelijke wijze gebeuren;
K. overwegende dat er wat de invoering en het gebruik van digitale gezondheidsystemen betreft, zoals het gebruik van geactualiseerde technologie, ondersteunende infrastructuurvoorzieningen voor de digitale transformatie en het gebruik van elektronische gezondheidsdossiers in de gezondheidszorg, sprake is van verschillen van lidstaat tot lidstaat;
L. overwegende dat de totstandbrenging van een Europese Ruimte van gezondheidsgegevens (European Health Data Space) onderdeel uitmaakt van het mandaat van de commissaris voor gezondheid, met het oog op het bevorderen van de uitwisseling van gezondheidsgegevens en het ondersteunen van onderzoek naar nieuwe preventiestrategieën, alsook naar behandelingen, geneesmiddelen, medische apparaten en resultaten;
M. overwegende dat wetenschap, onderzoek en innovatie cruciale factoren zijn voor het concurrentievermogen en de veerkracht van Europa; overwegende dat exponentiële sprongen voorwaarts op het gebied van de beschikbaarheid van gegevens en informatica een stimulans vormen voor het opzetten van onderzoeksinitiatieven om ziekten en medische aandoeningen te begrijpen, te voorkomen en te behandelen; overwegende dat technieken inzake gegevensbeheer nuttig kunnen zijn voor het in kaart brengen van leemten, risico's, tendensen en patronen op het gebied van zorg, op een wijze die aanvullend of doeltreffender is;
N. overwegende dat mensen die lager op de sociale ladder staan vaak grotere gezondheidsbehoeften hebben en tevens meer de kans lopen om bij de digitalisering van de gezondheidszorg uit de boot te vallen;
Algemene opmerkingen
1. verwelkomt de mededeling van de Commissie over het mogelijk maken van de digitale transformatie van gezondheid en zorg in de digitale eengemaakte markt, die erop gericht is gezondheid te bevorderen, ziekten te voorkomen en te beheersen, tegemoet te komen aan de onvervulde behoeften van burgers, en een kans te bieden om gezondheidsstelsels duurzamer te maken en het voor burgers eenvoudiger te maken om gelijke en betaalbare toegang te hebben tot hoogwaardige zorg middels het betekenisvolle gebruik van digitale innovaties;
2. wijst erop dat digitale gezondheid weliswaar aanzienlijk potentieel heeft, maar ook gepaard gaat met een reeks onopgeloste problemen op het gebied van privacy, beveiliging en veiligheid;
3. benadrukt dat het potentieel van digitale gezondheidsinstrumenten pas ten volle kan worden benut als het allergrootste belang wordt gehecht aan invoering van digitale gezondheidscomponenten die volledig rekening houden met de privacy, beveiliging en juistheid van gegevens, op een wijze die voldoet aan de behoeften van patiënten;
4. wijst erop dat naleving van de Europese wetgeving inzake gegevensbescherming een basisvoorwaarde moet zijn voor de digitale transformatie op het gebied van gezondheid en zorg in de digitale eengemaakte markt;
5. is van oordeel dat de door de Commissie voorgestelde maatregelen niet alleen het potentieel hebben bij te dragen tot het aanbieden van meer preventieve, gepersonaliseerde en responsieve gezondheidzorg aan Europese burgers, tot het versterken van de efficiëntie van billijke toegang tot en de veerkracht en de houdbaarheid van de gezondheids- en zorgstelsels in Europa, maar ook tot het stimuleren van groei en het bevorderen van de Europese industrie op dit gebied, met name door het potentieel van de digitale eengemaakte markt te helpen maximaliseren via een bredere inzet van digitale producten en diensten bij gezondheid en zorg, alsook de inzet van nieuwe diensten, met name voor afgelegen en ontoegankelijke gebieden waar onvoldoende medisch personeel en medische diensten aanwezig zijn;
6. is van mening dat de digitale transformatie van gezondheid en zorg burgergerichte diensten moet bevorderen, alsmede burgers mogelijkheden moet aanreiken om een actievere rol te spelen in ziektepreventie, gezondheidsbevordering, met inbegrip van gezondheids- en zorgdiensten, en tegemoet moet komen aan de behoeften van de burger; is van mening dat deze transformatie informatie-uitwisseling, met instemming van de patiënt, tussen het betrokken medische personeel mogelijk moet maken, in overeenstemming met het toepasselijke EU-kader inzake gegevensbescherming, bij de behandeling van patiëntendossiers, elektronische voorschriften, laboratoriumresultaten, medische beeldvorming en ziekenhuisontslagverslagen; benadrukt in dit verband dat er niet achteloos mag worden omgegaan met de behoeften van patiënten die niet in staat zijn de digitale transformatie bij te benen; benadrukt tevens dat digitale gezondheid geen opstapje mag zijn naar een ontmenselijking van de zorg;
7. vindt dat ervoor moet worden gezorgd dat burgerorganisaties, netwerken en publieke gezondheidsstelsels een centrale rol vervullen bij het beheer van en de besluitvorming met betrekking tot digitale gezondheid en zorg op regionaal, nationaal en Europees niveau; benadrukt in dit verband het belang van samenwerking en onderlinge koppeling van de databanken van instellingen voor gezondheidszorg;
8. is van mening dat de publieke gezondheidsstelsels als autoriteit het best geplaatst zijn om het beheer van en/of toezicht op de verzameling, anonimisering en pseudonimisering, bewaring en exploitatie van gezondheidsgegevens te verzorgen en tegelijkertijd te waken over de privacy van patiënten en de efficiëntie, toegankelijkheid en duurzaamheid van de gezondheids- en zorgsector; is van mening dat anonimisering en pseudonimisering mogelijk maakt dat gevoelige gegevens worden gebruikt voor gezondheidsonderzoek, en merkt tevens op dat pseudonimiseringstechnieken de mogelijkheid bieden om de gegevensdonoren opnieuw te identificeren in gevallen waarin hun gezondheid in gevaar is; verzoekt de Commissie projecten te ondersteunen die gericht zijn op de ontwikkeling van deze technologieën alsook van de technologieën die nodig zijn voor het creëren van synthetische gegevens voor het trainen van artificiële-intelligentiealgoritmen;
9. onderstreept dat geanonimiseerde en gepseudonimiseerde gezondheidsgegevens gebruikt kunnen worden voor wetenschappelijk gezondheidsonderzoek, het implementeren van op bewijzen stoelende gezondheidsmaatregelen, en een beter begrip van ziekten en het vroegtijdig opsporen van gebeurtenissen die een bedreiging vormen voor de volksgezondheid, met inachtneming van de beginselen inzake de eerbiediging van de privacy van de patiënt;
10. benadrukt dat er een Commissievoorstel moet komen inzake het delen van gegevens en gegevensbeheer om in te spelen op de implicaties voor nationale gezondheidsstelsels;
Het belang van het waarborgen van de toegang tot en het uitwisselen van persoonlijke gezondheidsgegevens bij de zorgvuldige toepassing van de regels van de AVG
11. beklemtoont dat burgers krachtens de algemene verordening gegevensbescherming recht hebben op toegang tot en het delen van hun persoonlijke gezondheidsgegevens om betere gezondheidszorg te krijgen en dat zij ervan uit moeten kunnen gaan dat deze gegevens tijdig en op een voor leken begrijpelijke wijze beschikbaar worden gemaakt; wijst erop dat de recente AVG een verbetering betekent van het recht van patiënten om toegang te krijgen tot gegevens in verband met aspecten van hun gezondheid en hun privacy te beschermen; merkt op dat een patiëntgericht systeem tot doel heeft de gezondheid van burgers te verbeteren en dat de nationale gezondheidsstelsels dit moeten garanderen op grond van gemeenschappelijk belang;
12. is van mening dat het vanwege de gevoelige aard van gezondheidsgegevens bijzondere maatregelen vergt om deze gegevens niet alleen te beschermen tegen cyberaanvallen, maar ook tegen het ongepast gebruik door diensten;
13. erkent dat er aanzienlijke economische belangen gemoeid zijn met de exploitatie van gegevens uit de gezondheids- en zorgsector; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom de verantwoordelijkheden op het gebied van gegevensbeheer nauwkeurig te omschrijven;
14. betreurt het dat veel burgers in Europa op dit moment slechts in beperkte mate of geen elektronische toegang tot hun persoonlijke gezondheidsgegevens hebben, met name in het geval van grensoverschrijdende gezondheidszorgdiensten;
15. verzoekt de Commissie door te gaan met het verbeteren van de cyberbeveiliging, teneinde het risico op inbreuken op de privacy en het ongeoorloofde gebruik van gezondheidsgegevens te verminderen in de hele Unie;
16. deelt de zienswijze van de Commissie dat burgers veilig toegang moeten hebben tot een volledig elektronisch bestand met hun gezondheidsgegevens, en zelf de controle moeten behouden over hun persoonlijke gezondheidsgegevens en het delen daarvan met bevoegde partijen, terwijl ongeautoriseerde toegang moet worden verboden in overeenstemming met de gegevensbeschermingswetgeving;
17. verzoekt de Commissie bij gezondheidsautoriteiten van de lidstaten op samenwerking te blijven aandringen teneinde zich bij een publieke digitale infrastructuur van e-gezondheidszorg aan te sluiten, om zo tot interoperabiliteit van de elektronische bestanden van de lidstaten te komen via ondersteuning van de ontwikkeling en vaststelling van een formaat voor de uitwisseling van gezondheidsbestanden op Europees niveau, wat met het oog op het belang van de patiënt zo uitgebreid mogelijke informatie moet omvatten over de gezondheidstoestand, en waarbij rekening gehouden wordt met de meertaligheid in de EU en met gebruikers met een handicap, met name wanneer patiënten gebruikmaken van grensoverschrijdende gezondheidszorg;
18. onderstreept het belang van monitoring van de toepassing van de AVG en van de verordening betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt met betrekking tot gezondheid(8);
19. verzoekt de Commissie en de lidstaten goede praktijken uit te wisselen met betrekking tot het delen van gezondheidsgegevens, zoals die reeds bestaan ten aanzien van medische behandelingen, preventieve diensten of onderzoek, en daarbij in het bijzonder oog te hebben voor de privacy van burgers, alsook Europese normen en onderling erkende certificering- c.q. accrediteringsregelingen te ontwikkelen, inclusief databeveiliging en beveiligingsaudits;
20. verzoekt de gezondheidsautoriteiten van de lidstaten gebruik te maken van de financieringsinstrumenten van de EU, zoals de Europese structurele en investeringsfondsen en het Europees Fonds voor strategische investeringen, voor de uitrol van interoperabele elektronische gezondheidsbestanden op nationaal en regionaal niveau, die de burgers in de gelegenheid zullen stellen toegang te hebben tot hun persoonlijke gezondheidsgegevens, voor investeringen in een robuuste en betrouwbare infrastructuur ter ondersteuning van de digitale transformatie, en bijdragen aan het verkleinen van de digitale kloof tussen de lidstaten; dringt erop aan dat de voordelen van de elektronisering en digitalisering van gezondheidsgegevens worden gebruikt om de toegang tot en de kwaliteit van de medische zorg in zowel stedelijke als plattelandsgebieden te helpen verbeteren;
21. verzoekt de Commissie en de lidstaten steun toe te kennen aan projecten die gegevens uit de praktijk gebruiken en kwaliteitscriteria te ontwikkelen voor gegevens die in een niet-gecontroleerde omgeving zijn verzameld, zodat met behulp van gegevens uit de praktijk positieve gezondheidseffecten kunnen worden gerealiseerd; verzoekt in deze context de Commissie voorts om met het oog hierop richtsnoeren te ontwikkelen ter bevordering van het secundaire gebruik van gegevens voor onderzoeksdoeleinden en te zorgen voor een eerlijke, transparante en niet-discriminerende toegang tot gegevens in heel Europa;
22. dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan gegevens uit de praktijk te gebruiken voor regelgevingsbesluiten over geneesmiddelen, als aanvulling op bewijzen die zijn verzameld bij gerandomiseerd gecontroleerd klinisch onderzoek;
23. verzoekt de Commissie een uitgebreide Europese reflectie-oefening op te starten over de ethische aspecten van de digitale transformatie van gezondheid en zorg, met een actieve rol voor burgers en alle andere actoren van de gezondheidszorgketen, met het oog op de ontwikkeling van ethische normen en regels ter bescherming van de rechten van de burgers en het bieden van veilige voorwaarden voor onderzoekers en de sector medische technologie, met name wat het gebruik van gezondheidsgegevens en AI betreft;
24. verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat degenen die persoonlijke gezondheidsgegevens verwerken een passende opleiding ontvangen en vaardigheden worden bijgebracht ten aanzien van privacy en beveiligingsmaatregelen, in overeenstemming met de geldende normen en technieken voor gegevensverwerking; verzoekt de Commissie voorts in de hele EU een voorlichtingscampagne op te starten over de voordelen van het delen van gezondheidsgegevens en de achterliggende mechanismen, om misvattingen tegen te gaan en de maatregelen te ondersteunen die zijn voorgesteld in haar mededeling over het mogelijk maken van de digitale transformatie van gezondheid en zorg in de digitale eengemaakte markt;
Het belang van betere gezondheidsgegevens
25. is van oordeel dat er behoefte is aan kwalitatief hoogwaardiger gezondheidsgegevens, aan standaardisering van de wijze waarop gegevens worden verzameld, bevordering van de interoperabiliteit van de Europese ziektenregisters, verbetering van de wijze waarop gegevens worden geanalyseerd, met gebruikmaking van “high performance”-computing en -modelling, en aan bescherming van vertrouwelijke en gevoelige gegevens;
26. beklemtoont het belang van standaardisering van de regels voor zorghulpmiddelen, zoals mHealth- en eHealthhulpmiddelen, waardoor de nauwkeurigheid en precisie van de gegevens gewaarborgd wordt;
27. verzoekt de Commissie een platform op te richten voor bevoegde autoriteiten, aangemelde instanties, de farmaceutische industrie en de sector medische technologie met betrekking tot de toepassing van de verordening medische hulpmiddelen(9) op digitale therapie en combinatiemiddelen, met bijzondere aandacht voor de behoeften van start-ups en kmo's;
28. verzoekt de Commissie om een intensivering van gecoördineerd Europees optreden voor het in de praktijk op veilige wijze uitwisselen en koppelen van genomische en andere gezondheidsgegevens, teneinde de vooruitgang die onderzoekers boeken en gepersonaliseerde geneeskunde naar een hoger plan te tillen en zodoende de beste behandelingen in kaart te brengen, met de volledige inachtneming van de gegevensbeschermingswetgeving en ethische beginselen;
29. verzoekt de Commissie om samen met de lidstaten en aangemelde instanties werk te maken van het testen van specifieke applicaties voor zwaar beveiligde grensoverschrijdende uitwisseling van gezondheidsgegevens voor onderzoek en gezondheidsbeleid, teneinde preventie, diagnosestelling en de behandeling van ziekten te verbeteren, als hulp voor gezondheidsstelsels om de uitdagingen van nu en van de toekomst het hoofd te kunnen bieden;
30. is van oordeel dat de overstap op “digitaal” een unieke kans biedt voor het starten van een ambitieus programma voor de opbouw van capaciteit voor burgers, verbetering van de toegang tot gezondheidszorg en de versterking van industriële kansen op het gebied van technologie en innovatie in verband met gezond ouder worden; is voorts van oordeel dat het op alle niveaus van de waardeketen op het gebied van gezondheid (patiënten, gezondheidsprofessionals, regelgevingsinstanties, betalers en autoriteiten) van het allergrootste belang is de ontwikkeling van vaardigheden voor de aanvaarding en het daadwerkelijke gebruik van slimme gezondheidsproducten en -diensten te bevorderen;
31. is van mening dat het voor de bescherming van de volksgezondheid en de toegang tot hoogwaardige geneesmiddelen van essentieel belang is te zorgen voor een regelgevingsklimaat dat geschikt is voor zijn doel; is ook van mening dat doeltreffend gebruik van IT-systemen de efficiëntie van regelgeving in heel Europa zal verbeteren; dringt er daarom bij de Commissie op aan het Europese regelgevingskader te optimaliseren door regelgevende telematicaprojecten te harmoniseren met bijzondere aandacht voor gegevenskwaliteit, interoperabiliteit en onderlinge afhankelijkheid binnen het Europese regelgevingskader;
32. is van oordeel dat de ontwikkeling van een gemeenschappelijk kader voor het harmoniseren van het verzamelen, opslaan en gebruiken van gegevens in de EU de kwaliteit van onderzoek en gezondheidsdiensten voor burgers ten goede zou kunnen komen, én universele toegang dichterbij zou kunnen brengen;
Het belang van betere digitale instrumenten
33. is van oordeel dat meer moet worden gedaan op de gebieden gezondheidsbevordering, ziektepreventie en geïntegreerde diensten op basis van de behoeften van burgers, met name in het geval van pandemieën, waarbij het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) een centrale rol moet vervullen; dringt aan op de ontwikkeling van digitale oplossingen en aangepaste instrumenten en meer samenwerking tussen de lidstaten om situaties te vermijden waarin geneesmiddelentekorten ontstaan;
34. is van mening dat met digitale gezondheidszorginstrumenten, zoals draagbare kaarten met patiëntengegevens, de uitdagingen kunnen worden aangepakt op het gebied van de toegang tot gezondheidsinformatie en kennis op het gebied van gezondheid, die beide essentieel zijn voor gezondheidsbevordering, een betere ziektepreventie en een doeltreffender beheersing van ziekten; is van oordeel dat deze instrumenten - mits ze worden ontwikkeld met inbreng van de relevante gezondheidsprofessionals, burgers en eindgebruikers en in overeenstemming zijn met alle desbetreffende wetgeving - tot nauwkeuriger en vollediger informatie kunnen leiden, aan de hand waarvan gezonde gewoonten kunnen worden bevorderd en aan preventie kan worden gedaan, en die kan dienen ter onderbouwing van gezondheidsbeslissingen en patiënten kan helpen overtuigen van het belang van een bepaalde behandeling;
35. beklemtoont dat het belangrijk is bij de organisatie van gezondheids- en zorgstelsels de rol van het nationale/regionale niveau te behouden, waaronder middels het gebruik van digitale oplossingen en instrumenten, aangezien die een groot potentieel hebben voor het verbeteren van niet alleen de kwaliteit, rechtvaardigheid en duurzaamheid van gezondheidsdiensten, maar ook van de gezondheid en het welzijn van mensen, en het versterken van de positie van de patiënt;
36. benadrukt het belang van informatieverstrekking aan patiënten en de ondersteuning van patiënten om betekenisvolle besluiten te kunnen nemen over hun gezondheid; wijst erop dat digitale platforms gebruiksvriendelijk en digitaal toegankelijk moeten zijn en patiënten en professionals uit de gezondheidszorg in meerdere talen en zonder enige belemmering informatie moeten bieden;
37. verzoekt de Commissie de digitalisering van regelgevende agentschappen te steunen en in samenspraak met de belanghebbende partijen, met name nationale gezondheidsstelsels, grotere grensoverschrijdende coöperatie en de uitrol van digitaal ondersteunde zorgmodellen, modellen voor thuiszorg en voor ouderen geschikte hulptechnologieën voor het huishouden te bevorderen, zonder daarbij inbreuk te maken op de bevoegdheden van de lidstaten; is in dit verband van mening dat de Europese referentienetwerken een uitstekend vehikel kunnen zijn om te tonen hoe digitale gezondheid kan bijdragen aan betere gezondheidsresultaten en welzijn over de grenzen heen, aangezien deze netwerken een vertrouwde omgeving bieden in het kader waarvan gezondheidsprofessionals en patiënten al grensoverschrijdend samenwerken en gezondheidsgegevens uitwisselen om hun doelstellingen te bereiken;
38. verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor opleiding van gezondheidsprofessionals, ter verbetering van hun bekwaamheden en vaardigheden nodig voor het verzamelen, analyseren en beschermen van gezondheidsgegevens, onder meer door eisen vast te stellen voor curricula digitale gezondheid voor professionals in de gezondheidszorg, door kenniscentra voor een leven lang leren op te richten voor specifieke pakketten van digitale vaardigheden, uitwisseling van goede praktijken te intensiveren, door harmonisering van opleidingen te overwegen en de capaciteit van regelgevingsinstanties te vergroten om producten en diensten in verband met slimme gezondheid te beoordelen in een snel evoluerend technologisch klimaat;
39. verzoekt de Commissie samen met de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten netwerken te ontwikkelen om burgers kennis bij te brengen met betrekking tot het gebruik van digitale gezondheidszorg, en voor universele en billijke toegang te zorgen; is van oordeel dat om dit doel te bereiken de interoperabiliteit van de systemen en de vaardigheden van de gebruikers moeten worden verbeterd, in combinatie met de hoogste bescherming van gevoelige gegevens en met instrumenten en mechanismen van de publieke gezondheidsstelsels;
40. verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat bij alle maatregelen ter verbetering van de digitale vaardigheden van burgers en van de toegang tot en het gebruik van hun gezondheidsgegevens rekening wordt gehouden met kwetsbare groepen zoals oudere burgers, van de informatiemaatschappij buitengesloten mensen en personen met een handicap;
41. is van oordeel dat voor burgers tot een goed evenwicht moet worden gekomen tussen het gebruik van digitale instrumenten en rechtstreekse contacten met gezondheidsprofessionals; is daarnaast van oordeel dat beveiligde toegang tot en de grensoverschrijdende uitwisseling van gezondheidsgegevens positieve ontwikkelingen zouden zijn;
42. is van mening dat patiënten over de meest recente informatie moeten beschikken over hun geneesmiddelen; dringt er daarom bij de Commissie op aan bijkomende elektronische productinformatie te ontwikkelen, waaronder de e-bijsluiter, om de doeltreffendheid van de regelgeving te verbeteren en de positie van patiënten te versterken met recente informatie over geneesmiddelen;
43. verzoekt de Commissie de lidstaten en de regionale autoriteiten te helpen bij het vergroten van het bewustzijn ten aanzien van innovatieve aanbestedings- en investeringsmogelijkheden voor de digitale transformatie in volksgezondheid en zorg, en bij het aantrekken van publieke en private investeringen voor de grootschalige uitrol van digitaal ondersteunde, geïntegreerde zorg die de persoon centraal stelt;
44. verzoekt de Commissie en de lidstaten steun te verlenen voor de opschaling van proefprojecten en demonstratieprojecten op het gebied van slimme gezondheid, om de leercurve te versnellen;
45. verzoekt de Commissie te onderzoeken of het mogelijk is een Europese innovatiehub inzake slimme gezondheid op te richten om initiatieven op het gebied van slimme gezondheid te beoordelen en te bevorderen, en een platform aan te bieden voor alle actoren in de gezondheidsketen om samenwerkingsverbanden tot stand te brengen ter verwezenlijking van ambitieuze grootschalige projecten;
46. verzoekt de Commissie en de lidstaten het delen van beste praktijken en getuigenissen van pioniergebruikers van innoverende oplossingen in de gezondheidszorg te bevorderen, met name door ten volle gebruik te maken van projecten in het kader van het Interreg-Europaprogramma en het bijbehorende beleidsleerplatform;
47. verzoekt de Commissie het delen van goede praktijken tussen lidstaten en regio's voortdurend te monitoren, te benchmarken en te bevorderen om doeltreffende hervormingen aan te moedigen en de vorderingen te volgen in de richting van een op waarde gebaseerde gezondheidszorg en duurzame gezondheidszorgstelsels;
48. verzoekt de Commissie de lidstaten te helpen bij het ontwikkelen en uitvoeren van noodstrategieën om in te spelen op eventuele tijdelijke of permanente onbeschikbaarheid van gezondheidsgegevens als gevolg van een incident of aanval op de infrastructuur, systemen of software die zijn gebruikt voor de verzameling, verwerking of opslag van deze gegevens;
49. steunt de inspanningen van het ECDC om strategieën te ontwikkelen voor een betere benutting van bestaande informaticasystemen, gebruik te maken van gegevens om de verspreiding van besmettelijke ziekten onder controle te houden, en bijstand te bieden aan de lidstaten bij de verzameling en verwerking van gegevens;
50. benadrukt dat een transitie naar digitale gezondheidszorg alleen kan slagen met sterk politiek leiderschap, een langetermijnvisie en volgehouden investeringen op zowel nationaal als Europees niveau;
51. verzoekt de Commissie en de lidstaten een duidelijk tijdschema vast te stellen voor de geplande ontwikkelingen om een Europa van digitale gezondheid tot stand te brengen, met tussentijdse evaluaties, en vast te leggen welke doelstellingen moeten worden gehaald;
52. verzoekt de Commissie en de lidstaten uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Commissie van februari 2019 met betrekking tot een Europees uitwisselingsformaat voor elektronische patiëntendossiers;
53. verzoekt de Commissie deze aanbevelingen mee te nemen in het voorstel voor een Europese Ruimte van gezondheidsgegevens;
o o o
54. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.
Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 73).
Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad (PB L 117 van 5.5.2017, blz. 1).